Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.6
9.4.6 Ne bis in idem
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940282:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent nader Feteris 2007, par. IX.4, in het bijzonder par. IX.4.2.1, en uitgebreider Feteris 2002, hoofdstuk 14. Zie voor de historische achtergrond en de ontwikkeling van het beginsel Van Hattum 2012.
Zie art. 68 Sr, art. 14 lid 7 BUPO, art. 50 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 4 Zevende Protocol EVRM. Nederland heeft het Zevende Protocol echter niet geratificeerd, vanwege de onzekerheid over de gevolgen van het recht op hoger beroep in strafzaken, zie Kamerstukken II 2004/05, 29 800 VI, nr. 9. De Hoge Raad acht de rechtspraak van het EHRM over het ne bis in idem-beginsel echter wel degelijk van belang, zie HR 18 december 2020, V-N 2020/65.25, r.o. 3.3. Het HvJ EU heeft voorts geoordeeld dat het ne bis in idem-beginsel rechtstreeks toepasselijk is, zie HvJ EU 20 maart 2018 (Ricucci), nr. C-537/16, V-N 2018/20.8. Zie voorts HvJ EU 23 maart 2023 (Dual Prod), nr. C-412/21, V-N 2023/16.12.
HR 30 augustus 1996, BNB 1996/353.
Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 136 e.v..
Zie paragraaf 15 lid 2 en lid 3 BBBB, waarin wordt verwezen naar art. 5:43 Awb. Vgl. ook par. 5 BBBB 1998 (‘Verplichte keuze verzuimboete of vergrijpboete’).
HR 26 juni 2009, BNB 2010/5 (vergrijpboete na verzuimboete wegens niet-betalen is niet toegestaan), HR 12 november 2010, BNB 2012/113 (idem), HR 17 september 2010, BNB 2011/16 (boete wegens niet betalen gevolgd door boete wegens te weinig aangegeven en betaald is wél toegestaan).
Hof ’s-Hertogenbosch 12 januari 2022, V-N 2022/17.23.12, r.o. 4.10 lijkt hier (iets) anders over te denken (het niet tijdig betalen is volgens het Hof een zelfde overtreding als het in het geheel niet betalen).
De wettekst bevat geen expliciete beperking (integendeel, art. 67q AWR lid 5 verwijst mede naar art. 67d en 67e AWR), maar de regering heeft meermalen aangegeven dat de maatregel alleen voor aangiftebelastingen geldt, zie Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3, p. 17-18., en nr. 5, p. 15.
Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3, p. 17-18 en p. 67-68. Zie over de voorwaarden die bij de toepassing van art. 67q AWR gelden nader in paragraaf 9.4.7 hierna.
Zie over het una via-beginsel nader paragraaf 9.4.8 hierna.
De nauwe verwantschap komt soms ook terug in het nationale strafrecht, zie bijvoorbeeld HR 3 maart 2015 (strafkamer), NJ 2015/256 (alcoholslotprogramma).
Zie bijvoorbeeld EHRM 15 november 2016 (A. & B.), nrs. 24130/1 en 29758/11, BNB 2017/14. Zie voorts HvJ EU 14 september 2023 (Vinal), nr. C-820/21, V-N 2023/47.14, HvJ EU 4 mei 2023, nr. C-97/21 (MV-98), V-N 2023/22.16, HvJ EU 23 maart 2023 (Dual Prod), nr. C-412/21, V-N 2023/16.12, HvJ EU 5 mei 2022, nr. C-570/20, V-N 2022/23.10 en HvJ EU 20 maart 2018 (Menci), nr. C-524/15, V-N 2018/20.7. Zie hierover nader Demandt 2022.
Art. 8:69 lid 2 Awb, waarover nader paragraaf 7.3.10.3.2 en paragraaf 15.5.2. Zie in dit verband voorts Feteris 2007, p. 438-439.
Zie hierover nader Demandt 2022.
Zie paragraaf 14.4.4.3.5. Zie voor een (impliciet) voorbeeld Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14, r.o. 7.4.1-7.4.2. Het voeren van een dergelijk strafmaatverweer is ook denkbaar in gevallen waarin zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggever worden beboet (zie bijvoorbeeld de casus in de zaak die heeft geleid tot HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29).
Zie paragraaf 14.4.4.3.5.
Het ne bis in idem-beginsel houdt in, dat dezelfde verdachte niet tweemaal mag worden vervolgd of bestraft voor hetzelfde feit.1 Dit algemeen erkende strafrechtelijke beginsel2 is in de jurisprudentie van de Hoge Raad ook van toepassing verklaard op de fiscale bestuurlijke boete.3 Bij de Vierde Tranche Awb is het beginsel bovendien voor het gehele bestuursrecht gecodificeerd in art. 5:43 Awb.4 Het BBBB kent voorts al geruime tijd de bepaling dat de inspecteur voorafgaand aan het opleggen een keuze moet maken tussen hetzij een verzuimboete hetzij een vergrijpboete, op welke keuze hij achteraf niet kan terugkomen.5 Ook in de materiële fiscale wet- en regelgeving komen specifieke voorzieningen voor die dubbele beboeting tegengaan.6 Ten slotte bevat het BBBB een bijzondere bepaling die samenloop voorkomt tussen de vergrijpboetes van art. 67d AWR en van art. 67cc AWR.7
De Hoge Raad heeft over de vraag wanneer er sprake is van ‘hetzelfde feit’ geoordeeld dat het gaat om de omschrijving van de beboetbare gedragingen waarvoor de boetes zijn opgelegd.8 Dat verschillende boetes worden opgelegd wegens overtreding van dezelfde wettelijke norm of over hetzelfde tijdvak is volgens de Hoge Raad dus niet doorslaggevend.9 Deze uitleg heeft geresulteerd in reparatiewetgeving: op 1 januari 2012 trad een nieuw art. 67q AWR in werking. In ieder geval voor aangiftebelastingen10 is het sindsdien mogelijk dat de inspecteur na een reeds opgelegde verzuimboete alsnog een vergrijpboete wegens hetzelfde feit oplegt (waarbij de eerder opgelegde verzuimboete moet worden verrekend).11 Aldus is een expliciete wettelijke uitzondering gemaakt op het ne bis in idem-beginsel.12
Het ne bis in idem-beginsel is nauw verwant aan het una via-beginsel, dat kort gezegd een verplichte keuze inhoudt tussen hetzij strafrechtelijke vervolging, hetzij bestuursrechtelijke beboeting.13 In het supranationale recht wordt de samenloop tussen een strafrechtelijke en een bestuursrechtelijke sanctie veelal beoordeeld naar de maatstaven van het ne bis in idem-beginsel.14 Dat betekent dat de jurisprudentie van het EHRM en van het HvJ EU over zulke samenloopgevallen ook van belang is voor de uitleg van het ne bis in idem-beginsel.15
Op grond van de reguliere regels van bewijslastverdeling is het aan de boeteling om een schending van het ne bis idem-beginsel te stellen en te bewijzen. Er is immers sprake van een boeteverlagende component. Doet de boeteling geen expliciet beroep op het ne bis in idem-beginsel, terwijl uit het dossier naar voren komt dat er al eerder een boete is opgelegd wegens hetzelfde feit, meen ik evenwel dat de rechter daar ook ambtshalve gevolgen aan moet verbinden (hij heeft dus een ambtshalve toetsingsplicht). Het betreft immers een fundamenteel beginsel van strafrecht, terwijl art. 5:43 Awb imperatief is geformuleerd. De rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan,16 zodat naar mijn opvatting geen expliciet beroep op het ne bis in idem-beginsel noodzakelijk is.
Een vergeefs beroep op het ne bis in idem-beginsel, dat faalt omdat er geen sprake is van hetzelfde feit, kan worden getransformeerd in een beroep op het proportionaliteitsbeginsel.17 Er is dan sprake van een strafmaatverweer.18 Meerdere boetes kunnen immers tezamen bezien een onevenredig effect hebben. Zoals in paragraaf 9.4.18 nader wordt toegelicht, rust de primaire bewijslast met betrekking tot een strafmaatverweer in beginsel op de boeteling. De rechter kan met reeds eerder of tegelijkertijd opgelegde boetes echter ook zelfstandig rekening houden bij zijn oordeel over de vraag of de boete passend en geboden is.19