Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.4.2
6.4.2 Informatie- of exploratiefase
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174179:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen 2009, p. 69.
Evenzo: Praagman 2011, p. 19-20. Zie ook paragraaf 6.6.2 over stijl en bejegening van partijen.
Barendrecht & Van Beukering-Rosmuller 2000, p. 185. Ahsmann (2011, p. 120) schrijft dat partijen voorafgaand aan de schikkingsfase alles naar voren hebben kunnen brengen wat zij relevant achten voor de beslissing.
Handleiding regie vanaf de conclusie van antwoord 2009, aantekening 13.
Deze Engelstalige begrippen zijn gemunt door Galanter (1974).
Of de rechters hierin te ver gingen, staat open voor discussie. De wetgever bepaalt dat een rechter een niet aangevoerde rechtsgrond met partijen kan bespreken, maar voorkomen moet worden dat hij meeprocedeert (zie artikelen 22-25 Rv; Kamerstukken II 1999-2000, 26.855, nr. 3, p. 50).
De procespartijen hebben hun standpunten neergelegd en onderbouwd in conclusies en akten. Niet altijd worden daarmee alle relevante feiten van het geschil bekend. De informatie- of exploratiefase van een zitting is bedoeld om deze feiten boven tafel te krijgen. Daarnaast kunnen raadslieden de zitting gebruiken om hun betoog op onderdelen nader juridisch te onderbouwen. Pleidooien dienen met name ter nadere toelichting van de juridische aspecten van het gehele geschil. Verder is van aanmerkelijk belang dat de zitting aan partijen de gelegenheid biedt om hun verhaal te doen (zie paragraaf 6.7). De rechter kan daar ook zijn voordeel mee doen, omdat door het verhaal van partijen en de confrontatie van elkaars lezingen duidelijker wordt waar het geschil over gaat, hoe groot de belangen van partijen zijn, welke emoties met het geschil gepaard gaan en of er kansen zijn om het geschil bij te leggen. De verschijning voor de rechter van de bij de zaak betrokken personen maakt dat de zitting bij uitstek geschikt is om waarheid te ‘vinden’.1 Uit de feiten en omstandigheden die daaruit oprijzen, kunnen rechters beoordelen welke rechtsvragen met het geschil gemoeid gaan.
Tijdens de comparities gaf de voorzitter na de opening meestal de advocaat van eiser het woord om toelichting op de stukken te geven. In twee comparities richtte de voorzitter zich met een vraag als eerste op de eiser (zie voor een voorbeeld daarvan het fragment op de volgende pagina). In pleitzittingen kreeg de advocaat van de partij die het pleidooi had aangevraagd als eerste het woord. De raadslieden gebruikten in al deze gevallen een spreekaantekening of een pleitnotitie die ze aan de rechtbank en de wederpartij uitreikten. In hun betoog trachtten de advocaten de rechtbank mee te voeren in een redenering die het gelijk van hun cliënt moest aantonen. Na de toelichting of het pleidooi van de advocaat van eiser volgde de reactie van de wederpartij. Partijen mochten elkaar vervolgens vragen stellen, maar ze werden geacht elkaar niet te onderbreken wanneer ze toelichting gaven op de conclusie van antwoord of pleidooi hielden. Als dat wel gebeurde, liet de voorzitter hen soms begaan, misschien om het debat niet te hinderen. Maar niet iedere voorzitter was van interrupties gediend:
Tijdens het betoog van een advocaat sputteren leden van de wederpartij meerdere malen en ontkennen wat hij beweert (‘Onzin!’).
Voorzitter: ‘Willen de partijen niet door elkaar heen reageren, dat is hoogst ongepast!’
Niet alle zittingen verliepen volgens bovengenoemd patroon waarin raadslieden om beurten het woord voerden. In enkele zittingen hadden de partijen zo weinig tijd nodig voor de uiteenzetting van hun standpunt dat zich snel een discussie ontwikkelde tussen de rechters en raadslieden en tussen de raadslieden onderling. De meeste voorzitters deden moeite de partijen in de discussie te betrekken. Aan de vragen en opmerkingen van de rechters was op te maken dat dit gebeurde om te informeren, aan te manen, te adviseren of te verifiëren. Zie van elk hiervan een voorbeeld:
Informeren naar feiten
Voorzitter: ‘Wist u dat P ook een speler in de markt was?’
Informeren naar beleving
Voorzitter: ‘Wat dacht u toen u hoorde dat u zelf aansprakelijk werd gesteld?’
Informeren naar wensen
Voorzitter: ‘Zullen we dan maar datum bepalen voor vonnis?’
Aanmanen
Voorzitter: ‘Ik vraag u te reageren op het pleidooi en op niets anders!’
Adviseren
Voorzitter: ‘Het gaat in deze zaak al met al om 43 kg papierwerk. Er zitten hoge juridische kosten aan voor iedereen. En dan heb ik het nog niet eens over alle emotie die ermee gepaard gaat. Is het verstandig om hiermee door te gaan? Er zit geen wezenlijk verschil tussen wat partijen beogen. Wat zou u zeggen van een goed gesprek op de gang? Het is misschien even slikken, maar dan bent u er ook van af.’
Verifiëren
Voorzitter: ‘Meneer [eiser], u hebt gezegd dat u de relatie met [gedaagde] goed wilt houden en hem daarom niet aansprakelijk wilde stellen?’
Meestal was de inzet van rechters informatiegaring, maar soms probeerden zij ook uit te vinden of partijen bereid waren elkaar tegemoet te komen, wilden ze duidelijk maken dat er actief naar het verhaal van partijen werd geluisterd of de ernstige boodschap overbrengen dat er van een partij een deugdelijke verklaring voor bepaalde ongerijmd- of onwaarschijnlijkheden werd verwacht. Rechters pasten hier hun benadering, kenbaar in woordkeus en toon, op aan.2 Een prikkelende wijze om het debat te openen deed zich bijvoorbeeld voor in een comparitie waarin de voorzitter een samenvatting van het geschil direct liet volgen door een provocerende vraag aan de eiser:
‘In 2010 is een overeenkomst gesloten die een geldlening inhield en een schuldbekentenis. Het ging om maar liefst vier ton. Dat bedrag moest uiterlijk een half jaar later worden terugbetaald, maar dat is niet gebeurd. Althans, dat stelt de eiser. Probleem was dat het geld via een tussenpersoon in een project is gestoken waarvan de ontwikkelaar failliet ging. Maar [gedaagde] zegt dat u, meneer [eiser], niet wist hoe het geld zou worden geïnvesteerd. Ik begrijp níet, meneer, dat u zóveel geld leende zonder dat u precies wist waar het geld heen zou gaan!’
In een andere zitting vroeg de voorzitter aan partijen of zij zonder hun raadslieden konden vertellen wat hen verdeeld hield. Na hun reacties gaf zij een samenvatting van het geschil en verifieerde of deze juist was. In een zaak waarin een particulier stelde schade te hebben geleden door toedoen van een aannemer, opende de voorzitter met de vraag aan de eiser of hij kon uitleggen wat in deze zaak zijn belang was. Er ontspon zich de volgende discussie:
Eiser antwoordde: ‘Het gaat erom wie schuldig is en het gaat om schadevergoeding.’
Voorzitter: ‘Is het ook een principekwestie?’
Eiser: ‘Nee, ik wil weten wie schuldig is. Ik heb alles tot nu toe zelf betaald!’
Voorzitter: ‘Het gaat er dus om wie aansprakelijk is en u wilt geld zien. En voor u, meneer [gedaagde]?’
Gedaagde: ‘Ik heb geen fouten gemaakt, dat wil ik rechtzetten.’
Voorzitter: ‘Hecht u eraan dat de rechtbank uitspraak doet of ziet u ook andere mogelijkheden voor een oplossing, meneer [eiser]?’
Eiser: ‘U bent de aangewezene. Eerdere pogingen om de zaak op te lossen liepen op niks uit.’
Voorzitter: ‘Speelt er ook beroepseer voor u mee, meneer [gedaagde]?’ Gedaagde: ‘Jazeker!’
Barendrecht & Van Beukering-Rosmuller stellen dat lacunes in de exploratiefase bewust buiten beschouwing kunnen worden gehouden, omdat een onderzoek daarnaar de verkenning van belangen en mogelijke oplossingen zou kunnen doorkruisen. Vaak gaat het bij deze fact-finding namelijk om feiten die bepalen of een partij al dan niet is tekortgeschoten.3 In alle zittingen streefden de rechters er in deze fase al naar de relevante feiten boven tafel te krijgen en te luisteren naar de juridische onderbouwing. De meeste zittingen vingen aan met een zuiver feitenonderzoek. In deze fase kwamen zowel partijen als hun raadslieden aan het woord. In verscheidene zittingen waren de feiten of reeds opgehelderd of zo weinig ingewikkeld dat de juridische discussie snel kon volgen. Deze werd aan de advocaten overgelaten. Soms verliep de overgang tussen deze fasen ongemerkt, soms bracht de voorzitter een duidelijke scheiding aan in het feitenonderzoek en de juridische argumentatie:
Voorzitter: ‘Ik heb over de feiten geen vragen meer. Er zijn nog alleen juridische noten te kraken.’
Een enkele keer was de feitengaring zodanig met de juridische problematiek vervlochten dat ze door elkaar heen werden behandeld. Een voorbeeld biedt de zaak die draaide om een nieuw ontwikkelde mp3-speler. De gedaagde partij had in opdracht van de eiser daarvoor een behuizing gemaakt. Deze was volgens eiser te groot, waardoor de verkoop stagneerde. De rechters zagen zich ter zitting voor de vraag gesteld of de behuizing het juiste formaat had en of gedaagde contractueel gehouden was dit aan eiser mee te delen.
In een andere zaak kreeg de behandeling van de juridische problematiek een onverwachte wending doordat een advocaat een gebrek in zijn conclusie van antwoord trachtte te herstellen. De wederpartij ging daar niet mee akkoord. De discussie verliep als volgt:
Advocaat van gedaagde heeft in de conclusie van antwoord gevorderd dat de schuldbekentenis van zijn cliënt wordt vernietigd. Ter zitting betoogt hij dat deze eis als een vordering in reconventie moet worden opgevat.
Voorzitter: ‘Stelt u nu een reconventionele vordering in?’
Advocaat gedaagde: ‘Ja, de vorderingen tegen [eiser] zijn aan de conclusie van
antwoord toegevoegd.’
Voorzitter: ‘Waar staan die dan?’
Advocaat gedaagde: ‘Aan het einde van de conclusie, zie pagina 7.’
Advocaat eiser: ‘Ik maak hier bezwaar tegen. Er is geen eis in reconventie ingediend. We procederen dus niet in reconventie. Het procesreglement laat niet toe dat zo laat nog wat wordt ingediend.’
Advocaat gedaagde: ‘Er wordt niets later ingediend: de reconventie zat al in de conclusie van antwoord.’
Voorzitter: ‘Ik zie het er niet bij staan. […]’
Advocaat gedaagde: ‘Er staat inderdaad geen eis in reconventie boven mijn stuk, maar het is het toch.’
Voorzitter: ‘We gaan het eis-in-reconventiegeschil meenemen bij onze beoordeling. Het is een punt van discussie. We zullen er in het vonnis over beslissen.’
Uit het vonnis blijkt dat de rechtbank de inbreng van gedaagde niet als eis in reconventie beschouwt.
Een andere beweerde schending van het procesrecht deed zich voor toen een advocaat van eiser ter zitting een notitie uitdeelde aan de rechtbank en de wederpartij:
Advocaat gedaagde: ‘Ik maak bezwaar tegen extra stukken ter comparitie!’
Advocaat eiser: ‘Dit zijn beknopte aantekeningen. Die mogen hier gewoon overgelegd worden.’
De voorzitter staat advocaat van eiser toe de notitie uit te delen.
De comparities bleken soms het karakter van een pleidooi te hebben. Onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.4 In een comparitie is toelichting van de advocaat op onderdelen toegestaan, maar er is geen plaats voor pleidooi. Pleidooi moet worden aangevraagd; de rechter bewaakt immers de voortgang van de procedure. Bijna alle comparitievonnissen bevatten een passage dat in beginsel tijdens de comparitie geen gelegenheid zal worden geboden om te pleiten. Een verbod is ook opgenomen in het model van het comparitievonnis dat rechtbanken gebruiken. De rechters in de comparitiezittingen leken met pleiten echter geen probleem te hebben. Wel merkte de voorzitter van een meervoudige kamer eens op:
‘Deze comparitie heeft eerder het karakter van een pleidooi, omdat alle feiten wel helder zijn. Ik heb daar geen bezwaar tegen. U kunt via uw pleitnotitie spreken, mevrouw [tegen een raadsvrouw]. Ik had eens een advocaat die ging spreken via dertig pagina’s. Toen heb ik de zaak naar de rol voor repliek verwezen. Gelukkig heeft u slechts drie pagina’s.’
Bij aanvang van een andere zitting merkte de voorzitter op dat de rechtbank niet had staan juichen toen wederom een verzoek tot pleidooi binnenkwam:
‘Dat dit toch is gehonoreerd, ligt aan de complexiteit van het deskundigenbericht. Maar de rechtbank was geenszins verplicht om pleidooi toe te laten!’
In een andere zitting vond de voorzitter het betoog van een advocaat meer tenderen naar een pleidooi dan naar het toelichten van de stukken. De oudste rechter vond het betoog van de advocaat echter wel zodanig belangrijk dat ze hem de gelegenheid wilde geven uit te spreken:
Een gemeente heeft een overeenkomst met de firma F, waarin F zich verplicht om een groep inwoners van de gemeente te helpen bij hun gedwongen verhuizing. De inwoners besluiten echter zelf te verhuizen. Daardoor is de inzet van F niet meer nodig. De gemeente wil het aan F betaalde voorschot terug.
Advocaat van de gemeente: ‘Er zijn niet onder gemeentelijke regie afspraken gemaakt met de bewoners. De bewoners wilden dat niet. Ze zeiden: ‘Wij laten ons niet door de gemeente verhuizen! Dat doen we zelf.’’
F: ‘Alle bewoners wisten dat ze in augustus moesten verhuizen. Hun woningen moesten weg.’
Advocaat van F: ‘De gemeente bezit als overheid dwangmiddelen (handhaving, onteigening) die ze kan toepassen. De gemeente was niet alleen afhankelijk van de overeenkomst.’
Voorzitter: ‘Is dit wel van belang? Dit is geen cna [comparitie na antwoord] meer, maar een pleidooi!’
Oudste rechter tegen de voorzitter: ‘De handhaving door de gemeente vind ik wel een punt. Laat F maar even.’
Voorzitter: ‘Ja, da’s een punt. Meneer F, u hebt het woord!’
Van oudsher bepalen de partijen in het civiele proces de feitelijke omvang van het geschil. De rechter is daar bij zijn onderzoek en beslissing aan gebonden (art. 24 Rv). Deze afbakening geldt nog onverkort. Afgezien daarvan nemen rechters in de moderne rechtspraktijk een actievere houding aan. Het recht laat dit toe en soms worden rechters er zelfs toe verplicht. Zo vult een rechter ambtshalve de rechtsgronden aan (art. 25 Rv), wat kan meebrengen dat een rechter de problematiek die een partij heeft geschetst op een juridische manier formuleert. Zie het volgende fragment:
Gedaagde: ‘Hij [gedaagde] moet doen wat hij beloofd heeft!’
Voorzitter: ‘Is dat wat u wilt?’
Gedaagde: ‘Ja, en hij moet compenseren wat hij heeft aangericht.’
Voorzitter: ‘U wilt dus nakoming van de overeenkomst en u wilt schadevergoeding.’
Ingewikkelder wordt het als de rechter in het bevragen van een partij de rol van de wederpartij op zich lijkt te nemen:
Een van de rechters beseft dat [gedaagde] onvoldoende is ingegaan op de stelling van [eiser] dat [gedaagde] opzettelijk of grof nalatig een onvolkomen product heeft afgeleverd. [Eiser] verzuimt echter [gedaagde] een reactie af te dwingen.
Rechter: ‘Maar we waren gebleven bij het product.’
Advocaat van [gedaagde]: ‘Ja, er is voldaan aan de opdracht: er moest een omhulsel voor komen volgens de opgave.’
Rechter: ‘Maar [eiser] bleek daar weinig aan te hebben. Hoe komt dat?’
Advocaat van [gedaagde]: ‘In het contract staan de voorwaarden waar het product aan moest voldoen en die zijn opgevolgd.’
Rechter: ‘Hebt u ook méégedacht met de opdrachtgever?’
Advocaat van [gedaagde] (lijkt de aanwijzing nu te begrijpen): ‘Van opzet of grove nalatigheid was natuurlijk geen sprake: [Gedaagde] krijgt dagelijks te maken met opdrachten voor allerlei producten, modellen en behuizingen. Opdrachtgevers moeten kenbaar maken wat ze willen hebben. Er is voldaan aan de opdracht. [Gedaagde] heeft er geen belang bij om iets anders af te leveren. Zij wil haar klanten natuurlijk graag behouden.’
In de beslissing van de rechter om in te grijpen ten faveure van een partij kan meespelen dat de machtsverhouding tussen partijen soms ongelijk is. Weliswaar is de verplichte procesvertegenwoordiging mede bedoeld om dit verschil op te heffen, toch kan de rechter zich soms geroepen voelen een partij enigszins tegemoet te komen.
Voorzitter: ‘Meneer [eiser], u wilt wat zeggen!’
Eiser houdt een tamelijk onsamenhangend verhaal.
Oudste rechter: ‘U wijst op de verantwoordelijkheid van de gemeente te doen wat ze beloofd heeft en wat van haar verwacht kan worden. Dat bedoelt u toch?’
Een andere illustratie van de omstandigheid dat rechters een zwakkere partij soms tegemoetkomen, deed zich voor in een zaak van een one-shotter tegen een repeat player, waarin de eerste in een juridisch lastig verdedigbare positie verkeerde.5 In het vooroverleg besloten de drie rechters zich in te spannen om partijen tot elkaar te brengen. Tijdens de zitting deden de voorzitter en jongste rechter daartoe meerdere pogingen en zij waren daarin succesvol, want de zaak eindigde met een betalingsregeling. De repeat player verzette zich niet tegen de opstelling van de rechters, ook al kwam die vooral de wederpartij ten goede.6
In twee zittingen herinnerde de voorzitter eraan dat de rechtbank lijdelijk is. Een van deze voorvallen betrof het volgende:
Partijen tonen in de rechtszaal een groot aantal designtafels, waarvan de rechters dienen te beoordelen of ze onrechtmatig zijn nagemaakt. De rechters staan op om de meubels te bekijken.
Een van de advocaten: ‘We kunnen de tafels hier laten, als u wilt.’
Voorzitter: ‘Nee, ú deponeert, dat is úw keuze. Als u deponeert, moeten wíj kennis nemen. De rechtbank is lijdelijk! Wat mij betreft: hoe minder, hoe liever.’
In het algemeen namen de rechters tijdens de geobserveerde zittingen een actieve houding aan. Ze stelden veel informatieve vragen, vroegen door wanneer de mondelinge inbreng van partijen geen duidelijkheid schepte, voorkwamen dat onnodig zijwegen werden bewandeld en bewaakten de voortgang. In de comparities spanden de rechters zich tevens in om partijen tot een schikking te bewegen (zie de paragrafen 6.4.3 en 6.6.2).