Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.9
2.9 De paritas creditorum en het gelijkheidsbeginsel ex artikel 1 Grondwet
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686190:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rank Berenschot 1993, p. 104, merkt op: “Het beginsel wordt alom als een vanzelfsprekendheid beschouwd. Noch in de parlementaire geschiedenis van het nieuwe BW, noch in de grote handboeken zal men diepgaande beschouwingen aantreffen omtrent het waarom van het beginsel. Incidenteel wordt de regel van art. 3:277 lid 1 verklaard met een summiere verwijzing naar ‘het’ gelijkheidsbeginsel”.
Van Hees 1989, p. 10; Vriesendorp 2013, p. 6 en 7; Van Apeldoorn 2010, p.25; Boekraad 1997, p. 5; Erasmus 1976, p. 16. Dirix 2009, p. 65 noemt eveneens het gelijkheidsbeginsel en voegt hieraan toe dat de grondslag van de paritas creditorum ligt in een regel van verdelende rechtvaardigheid die een billijke behandeling van de schuldeisers in een verdelingsprocedure moet garanderen. Anders Jackson 1986, p. 30.
Verstijlen 2006, p. 1160 wijst erop dat de rechtsgrond voor de paritas creditorum “mistig is”. Hij betwijfelt of het gelijkheidsbeginsel hieraan ten grondslag ligt.
Loenen 1998, p. 9: “De idee van de gelijkheid van alle mensen is dan ook een relatief nieuwe basispremisse die het (met name westerse) denken pas in de loop van de 20e eeuw is gaan domineren” en Loenen 2009, p. 11 en 12.
Zie ook Goode 2011, p. 99: “(...) the pari passu principle, which has been adopted in every substantive insolvency enactment since the time of Henry VIII…”.
Vgl. Loenen 2009, p. 17. In toenemende mate is er volgens Loenen wel sprake van een zogenaamde horizontale werking (d.w.z. werking tussen burgers onderling). Dat laat het uitgangspunt dat het gelijkheidsbeginsel tussen staat en burger geldt onverlet. Zie voor een recent voorbeeld waarin de Hoge Raad het gelijkheidsbeginsel toepast in de verhouding tussen overheid (in casu een gemeente) en een burger (althans in casu een rechtspersoon): HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778.
Vgl. Van Loenen 2009, p. 14.
Vgl. Rank-Berenschot 1992, p. 207.
In de wetsgeschiedenis wordt niet toegelicht om welke reden is gekozen voor een verdeling op basis van evenredigheid en niet voor bijvoorbeeld een verdeling op basis van volkomen gelijkheid of op basis van behoefte. Ook in de Nederlandse literatuur wordt relatief weinig aandacht besteed aan de vraag waartoe de paritas creditorum in het positieve recht is opgenomen.1 In veel gevallen wordt volstaan met de constatering dat in artikel 3:277 BW het “gelijkheidsbeginsel” is neergelegd.2 Voor zover ik deze verwijzing goed begrijp, wordt hiermee niet bedoeld te verwijzen naar het in artikel 1 Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel. Mocht ik mij hierin vergissen en wordt hiernaar wel verwezen dan lijkt mij dit niet correct. De wetsgeschiedenis biedt geen aanwijzingen voor de gedachte dat de paritasregel het in artikel 1 van de Grondwet3 neergelegde gelijkheidsbeginsel in het verhaalsrecht incorporeert.4 Voorts moet voor ogen worden gehouden dat het gelijkheidsbeginsel – vanuit historisch oogpunt bezien – een relatief nieuw begrip is,5 terwijl de paritas creditorum, zo is in de vorige paragraaf gebleken, als regel is teruggevonden in rechtstelsels in tijden dat nog geen sprake was van codificatie van het gelijkheidsbeginsel.6 Daarnaast geldt de paritasregel tussen schuldeisers onderling, terwijl artikel 1 Grondwet voornamelijk geldt in de verhouding tussen de staat en de burger.7Artikel 1 Grondwet beschermt voorts de idee van de gelijkwaardigheid van mensen,8 terwijl de paritas creditorum geen betrekking heeft op personen (crediteuren), maar op verhaalsrechten.9 Naar mijn mening heeft de paritas creditorum dan ook geen functie in het kader van de uitwerking van artikel 1 Grondwet in het executierecht.