Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.4.3
6.4.3 Onderhandelingsfase
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174204:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Praagman 2011, p. 9-10; Ahsmann 2011, p. 121; Van der Linden 2008, p. 38; Ippel & Heeger-Hertter 2006, p. 82-93.
Anders dan Praagman 2011, p. 20-21, wier onderzochte rechters op verschillende momenten van de zitting onderzochten of partijen bereid waren samen te werken aan een oplossing.
Hofhuis 2012, p. 187; Ahsmann 2011, p. 121; Verschoof, Steenberghe & Schuurmans 2008.
Ahsmann 2011, p. 122-123; Handleiding regie vanaf de conclusie van antwoord 2009, aantekeningen 54-55.
Het betrof tweemaal een comparitie en eenmaal een deskundigenverhoor, dat voortgezet werd als comparitie. In een andere comparitie gaven de rechters weliswaar geen voorlopig oordeel, maar was de uitleg die de rechtbank ter zitting aan de overeenkomst gaf zo duidelijk dat de partijen vanzelf begrepen dat een van hen een oplossing moest aandragen.
Een vergelijking met het onderhavige onderzoek is niet mogelijk, omdat partijen en advocaten in de geobserveerde zittingen niet zijn bevraagd. Van der Linden heeft betrokkenen ook naar het bereiken van andere comparitiedoelen gevraagd. De stelling ‘alle informatie die van belang is in deze zaak is op tafel gekomen’ werd door een meerderheid van partijen en advocaten beaamd, maar een grote minderheid was het daar niet of niet echt mee eens. Eenzelfde resultaat is verkregen bij de stelling ‘alles wat tijdens de zitting mogelijk was om het verdere verloop van het proces tot en met het eindvonnis te plannen, is gedaan.’ (Van der Linden 2010, p. 88, 90-91; Van der Linden 2008, p. 51-55.)
Ter vergelijking: de Rechtbank Den Haag heeft in de jaren 2006-2009 een pilot uitgevoerd met meervoudige comparities in gecompliceerde letselschadezaken, die in 63 tot 88 procent van de gevallen in een schikking resulteerden (Van der Linden 2010, p. 164).
Zo volgt ook uit Praagman 2011, p. 24; Van der Linden, Klijn & Van Tulder 2009, p. 34, 43.
Zie daarover ook Van der Linden, Klijn & Van Tulder 2009, p. 22-24.
De rechter verwees impliciet naar de relational distance-theorie, die stelt dat mensen minder geneigd zijn toevlucht te zoeken in juridische middelen naarmate hun onderlinge verhoudingen intensiever zijn (Black 2010).
In dezelfde zin: Ippel & Heeger-Hertter 2006, p. 89.
In de onderhandelingsfase, soms schikkingsfase genoemd, kunnen rechters en partijen onderzoeken in hoeverre partijen bereid zijn mee te werken aan een oplossing van het geschil. Zowel de intentie van partijen als de rol van de rechter en het doel verschillen in deze fase van de vorige. Het vizier is gericht op het beproeven van een schikking en niet langer op het wijzen van een vonnis. Uiteraard beslissen de partijen of zij mee willen werken aan een schikking. Zij bepalen de inhoud van de onderhandelingen. De rechter komt slechts een faciliterende rol toe en is dan niet op zoek naar de toedracht van de zaak. Of en hoe rechters een schikking beproeven is een kwestie van stijl, intuïtie en bedrevenheid om de omstandigheden te creëren waaronder overeenstemming mogelijk is.1
In alle vijf geobserveerde comparities tastten rechters af of toenadering tussen partijen mogelijk was. Dit gebeurde ook in de zitting van het deskundigenverhoor na het vertrek van de deskundige, die toen het karakter van een comparitie kreeg. In de pleitzittingen werd geen poging daartoe gewaagd. Zolang de rechter geen eindvonnis heeft geveld staat het partijen vrij overeenstemming te bereiken en dat kan dus ook tijdens of rond pleitzittingen. In de praktijk is dan echter zo lang doorgeprocedeerd en zijn de tegenstellingen vaak zo groot dat een schikking in deze fase weinig voorkomt.
De rechters van de geobserveerde zittingen begonnen niet in een vroeg stadium aan een poging om partijen tot elkaar te brengen.2 Ze stelden pas voor te onderhandelen als de feiten boven tafel waren en op zijn minst enige juridische onderbouwing van het standpunt was gegeven. Rechters wordt in de literatuur aangeraden om de informatiefase goed af te bakenen van de onderhandelingsfase. Het belang daarvan is dat partijen zich realiseren dat de doelen van deze fasen verschillen en dat de verschafte informatie in de onderhandelingsfase niet voor de eventuele beslissing van belang is. Partijen dienen te beseffen dat de rechter weliswaar verantwoordelijk is voor het vonnis, maar zijzelf voor een schikking. Zij kunnen daar hun strategie op aanpassen.3
De overgang naar de onderhandelingsfase gebeurde altijd op initiatief van de rechtbank en meestal vrij subtiel. Uit een opmerking van een bijzitter waarin gehint werd op de mogelijkheid om tot overeenstemming te komen, moest worden opgemaakt dat een nieuwe fase zijn intrede kon doen (‘Wilt u ook vonnis of toch nog even praten?’). Meer direct was de voorzitter die in zijn vraagstelling liet doorschemeren dat er vanzelfsprekend een poging tot onderhandelen zou worden gedaan:
‘De rechtbank heeft een bedrag in gedachten dat ze voornemens is als correctiebedrag vast te stellen. Wilt u eerst dit bedrag horen of er eerst proberen samen uit te komen?’
Rechters kunnen na een uitvoerige kennisneming van het geschil tijdens de zitting een voorlopig oordeel geven. Daarmee scheppen zij duidelijkheid over hun voorlopige standpunt. Een voorlopig oordeel kan ook recht doen aan de onderhandelingspositie van degene die het juridische gelijk het meest aan zijn zijde heeft. Soms kan het oordeel de onderhandelingen een impuls geven, waarna alsnog een vruchtbare discussie ontstaat. Naarmate het oordeel gunstiger voor een van de partijen is (of lijkt te zijn), kan het de onderhandelingsruimte echter ook beperken. De Handleiding regie vermeldt dat het bij het geven van een voorlopig oordeel vooral op timing aankomt. Partijen moeten er niet mee overvallen worden, maar het is niet uit den boze om al een voorlopig oordeel te geven voordat partijen met elkaar gaan onderhandelen. Dit hangt af ‘van de zaak en de ontwikkelingen op de zitting’. Daarmee wordt verondersteld dat de rechter intuïtief aanvoelt of een voorlopig oordeel zinvol is. Uiteindelijk beslist de rechter of hij een voorlopig oordeel uitspreekt.4
In drie zittingen gaven de rechters een voorlopig oordeel over de belangrijkste vordering.5 Daartoe werd eerst geraadkamerd tijdens een schorsing. In al deze gevallen hadden partijen al een poging ondernomen om tot overeenstemming te komen. Het verzoek tot een voorlopig oordeel kwam eenmaal van een procespartij, in de andere zittingen vroegen de rechters of partijen daar behoefte aan hadden. In het ene geval was het antwoord een volmondig ja, in het andere geval maakte een van de raadslieden expliciet bezwaar tegen een voorlopig oordeel, terwijl de wederpartij op zijn best aarzelend reageerde. Niettemin bracht de rechtbank na een schorsing een voorlopig oordeel uit:
Oudste rechter: ‘Ik stel een schorsing voor, dan raadkameren we en daarna leggen we u een voorlopig oordeel voor. Wilt u dat?’
Advocaat van P: ‘Oké.’
Advocaat van Q: ‘Nee, de verjaring is wezenlijk. De aansprakelijkheidsstelling ook. Een voorlopig oordeel, daar heb je niet veel aan.’
Voorzitter tegen advocaat van P: ‘Volgens uw collega is de verjaring zo wezenlijk dat we daaraan niet voorbij kunnen gaan. Maar ú zegt dat een beroep op verjaring een inhoudelijke behandeling in de weg staat. Wat denkt u van een voorlopig oordeel?’
Advocaat van P: ‘Met een voorlopig oordeel over de verjaring zijn we er nog niet.’
Voorzitter: ‘Een voorlopig oordeel kan de zaak verder helpen.’
Advocaat van Q: ‘Ik wens een tussenvonnis over de verjaring. Krijgen we ongelijk, dan gaan we hiertegen in hoger beroep.’
Voorzitter: ‘Hoe kijkt u hier tegenaan, meneer P?’
P: ‘Een voorlopig oordeel geeft maar voor de helft duidelijkheid.’
Voorzitter: ‘Dan gaan we schorsen. Een goed gesprek op de gang, je weet nooit waar dat toe kan leiden.’
(Na de schorsing:)
Voorzitter: ‘Is er nog een vruchtbaar gesprek geweest?’
Advocaat van Q: ‘Daar is het niet van gekomen.’
Voorzitter: ‘We hebben ons beraden over het vervolg, over de verjaring en het voorlopig oordeel. Eventueel kunnen we daarna opnieuw schorsen. Een voorlopig oordeel is mondeling.’
Advocaat van Q: ‘Kunnen we daartegen hoger beroep instellen?’
Voorzitter: ‘Nee, het is geen vonnis. Later is wel hoger beroep mogelijk. Een voorlopig oordeel kan een eindvonnis worden. […] Ons voorlopig oordeel, voorlópig dus, het kan nog veranderen…’
Oudste rechter: ‘Maar dat is niet waarschijnlijk…’
Voorzitter: ‘Ons voorlopig oordeel is dat de vordering is verjaard. U hebt nu de gelegenheid om met elkaar in gesprek te gaan.’
Van de drie keer dat de rechtbank een voorlopig oordeel gaf, vervolgde de voorzitter twee keer met de vraag of partijen met elkaar wilden overleggen (antwoord: nee). Eén keer vroeg hij of het oordeel het standpunt van partijen beïnvloedde. De meest in het gelijk gestelde partij vroeg daarop om eindvonnis; de wederpartij wilde zich nog beraden. In alle gevallen volgde eindvonnis conform het voorlopig oordeel.
De inspanningen van de rechters bleven zonder resultaat, want in geen van de zittingen werd definitief overeenstemming over een oplossing bereikt. Wel spraken partijen in een van de comparities af dat de gedaagde ruim de tijd kreeg om aan de vordering van eiser te voldoen. De zaak werd daartoe tijdelijk aangehouden (‘op de parkeerrol geplaatst’) om partijen de gelegenheid te geven hun afspraken na te komen. Deze afspraak werd niet in een vonnis, maar in het proces-verbaal vastgelegd. In de pleitzittingen werd geen schikkingspoging ondernomen.
Dat er geen definitieve schikkingen tot stand kwamen tijdens de bijgewoonde comparities is niet uitzonderlijk, maar wijkt wel enigszins af van de resultaten in ander onderzoek. In 32 procent van de (enkelvoudige) comparities die Van der Linden heeft onderzocht, werd tussen partijen overeenstemming bereikt. Zij constateerde tevens dat de doelen van comparities volgens de betrokkenen in behoorlijke mate werden gehaald. Een aanzienlijke meerderheid van de partijen, advocaten en rechters reageerde op de stelling ‘de rechter heeft eruit gehaald wat erin zat om partijen een schikking te laten overeenkomen’ met ‘eens’ of ‘zeer eens’. Een eveneens grote meerderheid reageerde op de stelling ‘er is door het gedrag van de rechter sprake van een dwangschikking’ met ‘oneens’ of ‘zeer oneens’ (hoewel toch nog 12 procent van de partijen het daarmee eens was).6 Het heeft er geenszins de schijn van dat het ontbreken van schikkingen in de in dit onderzoek geobserveerde zittingen toe te schrijven is aan de meervoudige formatie. Het ontbreken van schikkingen in de geobserveerde zittingen is waarschijnlijk toe te rekenen aan de onverzoenlijke posities van partijen.7
Net als in de informatiefase zijn vooral in dit onderhandelingsstadium van de zitting verschillen in rechterlijke aanpak en stijl waarneembaar. De ene rechter deed aanmerkelijk meer moeite partijen tot een schikking te bewegen dan de andere. De uiteenlopende aanpak was niet alleen merkbaar per zitting, en daarmee per meervoudige kamer, maar ook tussen rechters onderling binnen de meervoudige kamer kwam verschil van inzicht over de haalbaarheid van een schikking tot uiting.8 Sommige rechters suggereerden slechts dat een schikking ook een uitkomst van de procedure kon zijn en beperkten zich verder tot het benoemen van de voordelen daarvan. Anderen gingen meer sturend te werk en waarschuwden ook voor wat het kon betekenen om door te procederen of een uitspraak af te wachten.9 Het volgende fragment geeft weer hoe een van de rechters partijen welbewust aanspoorde om tot een vergelijk te komen, terwijl diens collega daar geen heil meer in zag:
Eiser en gedaagde discussiëren al enige tijd over de vraag of een oud-medewerker van gedaagde aan eiser belangrijke bedrijfsinformatie heeft doorgespeeld.
Voorzitter: ‘Goed, dit schiet niet op. We doen uitspraak op 14 september.’
Jongste rechter: ‘Maar wil meneer [gedaagde] ook vonnis? Of toch nog even praten?’
Gedaagde: ‘Ik vind dat eiser mij onrechtvaardig heeft behandeld.’
Jongste rechter: ‘Dat begrijp ik, dat u dat vindt. Maar is er bij u bereidheid om eruit te komen?’
Gedaagde: ‘Ja, want ik wíl helemaal geen gerechtelijke procedure.’
Jongste rechter: ‘En bij u, meneer [eiser]?’
Eiser: ‘[Gedaagde] geeft niet waar ik recht op heb. Zolang dat niet gebeurt…’ Jongste rechter: ‘U kent elkaar al heel lang, u hebt al lang samengewerkt, u spreekt elkaar aan met de voornaam. Als we uitspraak gaan doen, volgt er misschien nog hoger beroep, dan is de zaak nóg niet ten einde. Dit alles kost heel veel negatieve energie. Is het dat u wel waard?’
(Stilte)
Voorzitter: ‘Wat wilt u, meneer [gedaagde]?’
Gedaagde: ‘De kwaadsprekerij moet ophouden en ik wil schadevergoeding.’ De voorzitter kijkt naar eiser.
Eiser: ‘Ik vind dat gedaagde tekortgeschoten is.’
Voorzitter: ‘Partijen willen dus uitspraak of er inbreuk is gepleegd of niet.’
Jongste rechter: ‘De partijen zijn hier nu allebei. Is het niet beter eruit te komen op de gang met behulp van de advocaten? Dan bent u vandaag nog van dit conflict af! Dat is voor iedereen het prettigst. Het lijkt me het proberen waard.’ De voorzitter schorst de behandeling voor tien minuten. Er komt geen schikking tot stand.
In deze dialoog benadrukte de jongste rechter de belasting van de procedure en de geschiedenis van samenwerking tussen de partijen.10 Het argument dat een procedure een zware tol kan eisen werd ook in andere comparities gebruikt om partijen tot een schikking te bewegen. Enkele keren maakten de rechters gewag van de hoge kosten. In bijna alle gevallen waarin de rechters de mogelijkheden van een schikking aftastten, vroegen zij de partijen rechtstreeks of er ‘bereidheid was tot praten’. Van het opdringen van een schikking was geen sprake. De mogelijkheid om een mediator in te schakelen is nooit geopperd, waarschijnlijk omdat de partijen geen relatie meer met elkaar onderhielden en er mede daardoor weinig kans van slagen was. Bemerk overigens in bovenstaand fragment ook de toon van de rechter. Deze was voorzichtig, zelfs wat bekommerd, en verschilde daarmee van de toon die in de informatiefase overheerste. Daar was die zakelijker, zonder omhalen gericht op het verkrijgen van de gewenste inlichtingen.11
In een van de comparities ontstond bij een partij verwarring over het begrip schikking. Zij meende dat een schikking neerkwam op een beslissing van de rechtbank. De dialoog verliep als volgt:
Voorzitter: ‘De afspraak zou kunnen zijn dat partij A de huidige schade vergoedt, maar dat toekomstig verlies voor rekening van partij B komt.’
A: ‘Hoe moet ik dat zien? De schade uit het verleden…?’
Voorzitter: ‘… wordt door u vergoed, maar u bent dan af van nieuwe claims.’ A: ‘Uit deze onduidelijke brij moet een duidelijke oplossing komen.’
Jongste rechter: ‘Beide partijen moeten het gevoel hebben dat er tegemoet wordt gekomen.’
Advocaat van B: ‘Maar als hij straks opnieuw voor schade zorgt, wat dan?’
Voorzitter: ‘Er blijft altijd een risico.’
A: ‘U kunt niet verwachten dat ik mijn handel ga stilleggen. Maar als de rechtbank beslist zoals u zojuist zei, dan houd ik me eraan.’
Oudste rechter: ‘Nee, het voorstel is dat er een schikking komt! Een schikking is geen vonnis van de rechtbank.’
Voorzitter: ‘Een schikking maakt u zelf. De rechtbank oordeelt niet over de inhoud hiervan. De partijen komen zelf tot overeenstemming.’
Partijen kwamen er uiteindelijk niet samen uit.