Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.0
7.6.0 De aansprakelijkheid van de aandeelhouder
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS302597:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2:403 BW.
Zie over vormen van vrijwillige aansprakelijkheid, zoals de 403-verklaring: Slagter/Assink 2013, p. 2255.
Nu de aansprakelijkheid voor aandeelhouders op grond van artikel 2:216 BW een codificatie is van jurisprudentie betreffende aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, zal daarop hieronder zijdelings wel nader worden ingegaan.
Onder omstandigheden bestaat ook de mogelijk tot acties op een andere grondslag dan onrechtmatige daad te baseren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de actio pauliana. De onrechtmatige daad biedt in de regel echter meer mogelijkheden en de partij die de actie instelt zal doorgaans ook meer gebaat zijn bij financiële compensatie dan vernietiging van de rechtshandeling en ongedaanmaking van haar gevolgen (Asser/Maeijer 2000, nr. 626) Al wordt wel betoogd (maar staat ook ter discussie) dat ook op grond van de actio pauliana ook een schadevergoeding boven of in plaats van vernietiging kan worden gevorderd (De Weijs 2010, p. 350-352). Ook ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:262 BW) zal in regel niet tot het gewenste resultaat leiden (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 845; Roelvink 1977, p. 159).
Wel kan de aandeelhouder worden verplicht (alsnog) te storten op de aandelen, tenzij de vordering daartoe is verjaard.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 839.
Zie in dit verband hetgeen is overwogen in hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.4.1.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011, nr. 23.
Zie voor deze voorwaarden ook: Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011, nr. 24; De Valk 2009, p. 40.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011, nr. 46.
Evenzo: Van den Heuvel 2012, p. 117.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011, nr. 56.
Zie voor de verschillende situaties ook: Slagter/Assink 2013, p. 2262-2263. Assink onderscheidt vier situaties en ziet de door mij als vierde en vijfde genummerde categorie situaties als één. Hieronder zal worden toegelicht waarom ik deze situatie wens te splitsen. In de literatuur zijn ook andere categorieën van situaties terug te vinden. Barneveld constateert bijvoorbeeld dat sprake is van een drietal situaties, namelijk (i) de aandeelhouder die zich indringend bemoeit met het beleid van de vennootschap en wordt verweten dat hij heeft toegestaan dat de vennootschap nieuwe verplichtingen aangaat terwijl hij vanaf een zeker moment moest weten dat de vennootschap deze verplichtingen niet zou kunnen nakomen, (ii) de aandeelhouder heeft vermogen onttrokken aan de vennootschap, terwijl hij er ernstig rekening mee moest houden met de mogelijkheid van een tekort op grond van de financiële positie van de (dochter-)vennootschap en (iii) de aandeelhouder heeft bewerkstelligd of toegestaan dat de vennootschap aan de aandeelhouder een opeisbare schuld heeft voldaan in het zicht van faillissement, als gevolg waarvan één of meer crediteuren worden benadeeld (Barneveld in zijn noot bij Rb. ’s-Gravenhage 5 april 2013, JOR 2013, 96). Ook Bartman en Dorresteijn (Bartman & Dorresteijn 2013, p. 303-321) en in navolging van hen Van Solinge en Nieuwe Weme (Asser/Maeijer/ Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 842) lijken een andere categorie van situaties te hanteren. Zij voegen de eerste tot derde categorie van situaties samen tot één en destilleren daaruit een ‘roadmap to piercing’, welke in lagere rechtspraak ook navolging vindt (zie in dit verband onder meer: Rb. Almelo 4 december 2002, JOR 2005, 3 (AMS/Liberty Nederland); Rb. ’s-Gravenhage 30 mei 2007, JOR 2007, 201 (Walvis/Humanitas); Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008, 10 m.nt. Bartman (Ceteco)). Hieronder zal nader op deze ‘roadmap to piercing’ in worden gegaan. Assink gaat uitgebreid in op de redenen waarom de arresten die het leerstuk vormen niet één categorie van situaties vormen, maar onderscheidenlijke categorieën van situaties zijn (Slagter/Assink 2013, p. 2265-2281), al vertonen de situaties in de praktijk een zekere mate van overlap (Slagter/Assink 2013, p. 2263). Alle situaties berusten wel op dezelfde ‘groep’ arresten: HR 25 september 1981, NJ 1982, 443 m.nt. Bartman (Osby); HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487 m.nt. G (Albada Jelgersma II); HR 18 november 1994, NJ 1995, 170 m.nt. Maeijer (NBM/Securicor); HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727 m.nt. Van Schilfgaarde (Coral/Stalt); HR 21 december 2001, JOR 2002, 38m.nt. Faber/Bartman (Sobi/Hurks); HR 11 september 2009, NJ 2009, 656 m.nt. Van Schilfgaarde (Comsys Holding).In de jurisprudentie wordt ook niet altijd een goed onderscheid gemaakt tussen de verschillende situaties. Zie in dit verband bijvoorbeeld: Rb. ’s-Gravenhage 5 april 2013, JOR 2013, 96 en Barneveld in zijn annotatie bij deze uitspraak.
Stb. 2012, 299.
Zie in dit verband ook de handboeken op het gebied van de kapitaalvennootschap (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009; Buijn & Storm 2013; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013; Slagter/Assink 2013; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013). Geen van deze handboeken besteedt (uitgebreid) aandacht aan de aansprakelijkheid van de aandeelhouder in het algemeen, maar wel in meer of mindere mate aan de vijf voornoemde situaties alsmede aan de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen in het algemeen. Assink doet wel enige aanzet tot een algemene behandeling, maar ook hij beziet het hoofdzakelijk in concernverband.
Zie over deze bewijsvermoedens: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2013, nr. 459.
Denk bijvoorbeeld aan een te hoge dividenduitkering, als gevolg waarvan belangrijke investeringen niet kunnen worden gedaan. Deze uitkering heeft niet het faillissement van de vennootschap tot gevolg, maar kan wel schade toebrengen aan de gezonde groei van de vennootschap. Het aantonen van de concrete schade als gevolg van de dividenduitkering zal echter lastig zijn.
Denk in dit verband aan het geschil tussen het bestuur en de aandeelhouders van Stork (Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007, 42 m.nt. Blanco Fernández). Kort gezegd was sprake van een situatie waarin een aantal activistische aandeelhouders (Centaurus en Paulson) Stork wilde dwingen het conglomeraat op te splitsen en de winsten uit te keren aan de aandeelhouders. Toen het bestuur deze strategie niet wilde volgen en de aandeelhouders dreigden het vertrouwen in de gehele raad van commissarissen op grond van artikel 2:161a BWop te zeggen, ging de beschermingsstichting van Stork over tot het uitoefenen van haar call-optie als beschermingsmechanisme. Als gevolg daarvan dienden de aandeelhouders een verzoekschrift in bij de Ondernemingskamer, met als doel het stemrecht op de aan de beschermingsstichting uitgegeven aandelen te blokkeren. De Ondernemingskamer stelde uiteindelijk het bestuur van Stork in het gelijk en wees het verzoek van de activistische aandeelhouders af. Deze zaak laat zien dat de vennootschap zich kan verzetten tegen schadelijke acties van de aandeelhouders. In deze situatie werd gebruik gemaakt van een beschermingsstichting, maar ook de weg van een enquêteprocedure met bijbehorende onmiddellijke voorzieningen staat, zeker nu de vennootschap zelf de bevoegdheid heeft om een enquêteverzoek te entameren (artikel 2:346 BW), open.
Denk in dit verband aan het optreden van de Vereniging voor Effectenbezitters of speciaal daarvoor opgerichte stichtingen of vereniging die opereren onder artikel 3:305a BW.
Het sluitstuk van de mogelijkheden voor een belanghebbende om een aandeelhouder ter verantwoording te roepen, wordt gevormd door de aansprakelijkstelling van de aandeelhouder door die belanghebbende. Aansprakelijkstelling zal zich, evenals de geschillenregeling, slechts voordoen wanneer de schadelijke gedraging van de aandeelhouder, die in strijd is met de in hoofdstuk 6 geformuleerde verantwoordingsnorm, reeds heeft plaatsgevonden. Het gaat hier dus niet om een actie tegen een voorgenomen handeling. Een belanghebbende zal de aandeelhouder aansprakelijk stellen wanneer hij schade heeft geleden en deze wenst te verhalen op de aandeelhouder.
In de wet, meer in het bijzonder in Boek 2 BW, is een aantal specifieke gronden voor aansprakelijkheid van de aandeelhouder opgenomen. Daarbij kan onder meer worden gewezen op de aansprakelijkheid van de aandeelhouder bij het uitkeren van dividend bij de besloten vennootschap1 en de gevolgen van het afgeven van een 403-verklaring2.3 Deze direct uit Boek 2 BW volgende aansprakelijkheidsgronden zullen hier niet nader uiteengezet worden, althans staan hier niet centraal.4 De nadruk zal liggen op de ‘klassieke’ algemene aansprakelijkheidsgrond voor aandeelhouders; de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).5 Daarnaast kan de aandeelhouder onder bepaalde omstandigheden worden gekwalificeerd als feitelijk beleidsbepaler. Hoewel daarbij strikt genomen geen sprake is van aandeelhoudersaansprakelijkheid, zal ook dit aansprakelijkheidsrisico aan de orde komen.
Het uitgangspunt binnen het rechtspersonenrecht is dat de aandeelhouder in zijn hoedanigheid als aandeelhouder niet aansprakelijk kan worden gehouden.6 De rechtspersoon is als zelfstandig rechtssubject in beginsel zelf aansprakelijk voor zijn eigen schulden.7 In Boek 2 BW bestaat dan ook geen algemene aansprakelijkheidsgrond voor aandeelhouders zoals die voor bestuurders en commissarissen wel bestaat (artikel 2:9, 138/248 en 149/259 BW). Dit hangt samen met de zeer beperkte aansprakelijkheid van de kapitaalverschaffer, welk uitgangspunt reeds ten grondslag lag aan de VOC8 en thans nog, zij het iets gesluierd, tot uitdrukking komt middels artikel 2:81 BW:
‘Aan een aandeelhouder kan niet, zelfs niet door wijziging van de statuten, tegen zijn wil enige verplichting boven de storting tot het nominale bedrag van het aandeel worden opgelegd.’
Betekent dit dat de aandeelhouders, ondanks dat zij deze normen kunnen overtreden, niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door een belanghebbende geleden schade? Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Ondanks het voornoemde uitgangspunt zijn er bijzondere omstandigheden waaronder de aandeelhouder toch aansprakelijk kan worden gehouden. De grondslag voor deze aansprakelijkheid moet niet worden gevonden in het rechtspersonenrecht, maar in de meer algemeen civielrechtelijke norm van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). In dit artikel is neergelegd dat de dader van een onrechtmatige daad verplicht is de door zijn gedraging aan een ander toegebrachte schade te vergoeden.9
Wil een verbintenis tot schadevergoeding ontstaan, dan moet aan vijf voorwaarden zijn voldaan: (i) er moet een onrechtmatige daad zijn begaan, (ii) deze daad moet kunnen worden toegerekend aan de dader, (iii) de benadeelde dient schade te hebben geleden, (iv) er moet een causaal verband bestaan tussen de schade en de daad en (v) de dader moet een norm geschonden hebben die strekt tot bescherming tegen de schade die de benadeelde heeft geleden.10 Volgens artikel 6:162 BW heeft een persoon een onrechtmatige daad begaan, wanneer (i) inbreuk wordt gemaakt op een subjectief recht, (ii) iets wordt gedaan of nagelaten in strijd met een wettelijke plicht of (iii) iets wordt gedaan of nagelaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.11 Interessant is vooral het derde criterium, omdat daar de belangen van de aandeelhouder en de belanghebbende wiens belang wordt geschaad tegen elkaar moeten worden afgewogen.12 Bij het afwegen van de belangen dient men zich te laten leiden door hetgeen men over en weer in het maatschappelijk verkeer rederwijs van elkaar mag verwachten.13 Zowel een handelen als een nalaten kan grond zijn voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
In de literatuur en jurisprudentie betreffende de kapitaalvennootschap komen vijf situaties van aandeelhoudersaansprakelijkheid prominent terug.14 Allereerst is er de situatie waarin de aandeelhouder betrokken is geweest bij het wekken van gerechtvaardigde verwachtingen van kredietwaardigheid van de vennootschap ten aanzien van één of meer crediteuren. Ten tweede is er de situatie waarin sprake is van een hechte concernstructuur tussen de aandeelhouder en de vennootschap als gevolg waarvan de aandeelhouder ‘ingrijpmacht’ heeft, waarbij de aandeelhouder zich bovendien intensief heeft bemoeid met het beleid van de (dochter)vennootschap. Ten derde is er de situatie waarin de voor de vennootschap noodzakelijke financiering is stopgezet door de aandeelhouder of hij hieraan debet is. Ten vierde is er de situatie waarin de aandeelhouder op onrechtmatige wijze zijn eigen positie verbetert ten opzichte van andere crediteuren. Ten vijfde is er de situatie waarin de aandeelhouder op onrechtmatige wijze vermogen heeft onttrokken aan de vennootschap, terwijl ernstig rekening moest worden gehouden met een tekort op grond van de financiële positie van de vennootschap. Deze laatste situatie is recentelijk ook gecodificeerd voor de besloten vennootschap en neergelegd in artikel 2:216 BW en 2:207 BW.15
Het is opvallend dat de aansprakelijkheid van de aandeelhouder zich in de regel in de jurisprudentie beperkt tot deze vijf specifieke situaties, terwijl er veel meer omstandigheden zijn waaronder de vennootschap zelf en/of één of meer belanghebbenden bij de vennootschap schade kunnen lijden als gevolg van het gedrag van een aandeelhouder.16Dat de aansprakelijkheid van de aandeelhouders zo beperkt is gebleven, heeft mijns inziens vier redenen.
Allereerst is de aandeelhouder, zeker bij kleinere vennootschappen, vaak eveneens bestuurder van de vennootschap. In een dergelijke situatie ligt aansprakelijkstelling van de aandeelhouder in zijn hoedanigheid van bestuurder meer voor de hand dan in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, omdat een bestuurder in de regel eenvoudiger aansprakelijk te stellen is. Dit geldt te meer in het geval dat sprake is van een faillissement, omdat de curator dan, onder omstandigheden, gebruik kan maken van de bewijsvermoedens van artikel 2:138/248 BW.17 Dat de rechter bovendien niet altijd in staat blijkt te zijn om het handelen van de bestuurder/aandeelhouder in zijn verschillende (aantoonbare) hoedanigheden van elkaar te onderscheiden, blijkt uit de reeds in hoofdstuk 10, voetnoot 152 aangehaalde jurisprudentie.
Ten tweede moet voor aansprakelijkheid sprake zijn van schade en moet deze schade het gevolg zijn van het handelen van de aandeelhouder. Het zal vaak lastig, zo niet onmogelijk, zijn om de schade die het gevolg is van een bepaald handelen van de aandeelhouder te concretiseren.18 Een uitzondering hierop is de situatie waarin de vennootschap failliet is gegaan en daaraan een gedraging van de aandeelhouder ten grondslag kan worden gelegd. Dan is voor de crediteuren van de vennootschap in het faillissement de schade eenvoudig te duiden. Dit bekent echter nog niet dat het eenvoudig is om aan te tonen dat de gedragingen van de aandeelhouder de reden, althans een reden, voor het faillissement is. Er moet dus nog steeds een causaal verband worden aangetoond. Het verbaast dan ook niet dat de jurisprudentie rondom dit onderwerp zich hoofdzakelijk heeft ontwikkeld aan de hand van situaties waarin sprake was van een faillissement. Daarbij moet bovendien in ogenschouw worden genomen dat de acties van belanghebbenden wiens belangen zouden worden geschaad als gevolg van een handeling van een aandeelhouder zich vaak richten tegen voorgenomen (toekomstig) gedrag.19 Daardoor krijgt de aandeelhouder niet de mogelijkheid om daadwerkelijk schade toe te brengen aan de belanghebbende(n). Kortom, de schade doet zich nooit voor. Daarbij speelt de mogelijkheid van het op de korte termijn verkrijgen van voorlopige-/onmiddellijke voorzieningen bij de Ondernemingskamer of in kort geding – zoals hierboven toegelicht – een cruciale rol.
Ten derde hebben de individuele belanghebbenden niet altijd de middelen om een aandeelhouder aansprakelijk te stellen en blijken zij (in de meeste gevallen) niet in staat om hun krachten te bundelen. Ook hier is het faillissement een uitzondering, omdat daar de curator in de regel namens de gezamenlijke schuldeisers kan optreden. Binnen het ondernemingsrecht worden ook buiten faillissement wel (succesvolle) pogingen gedaan om de krachten te bundelen. Het zijn dan echter juist de aandeelhouders die hun krachten bundelen, bijvoorbeeld om het voormalig bestuur aansprakelijk te stellen.20
Tot slot lijkt een belangrijke reden te zijn dat de verantwoordings- en toetsingsnorm bij de aandeelhouder een zware norm is die niet snel geschonden zal zijn. Een aandeelhouder heeft minder vergaande verplichtingen jegens de vennootschap dan de bestuurder of zelfs commissaris en van de aandeelhouder mag dan ook minder worden verwacht. Dit is een uitvloeisel van het feit dat de aandeelhouder in beginsel zijn eigen belang mag behartigen, terwijl de bestuurder of commissaris zich dient te richten op het belang van de vennootschap. Dit betekent dat, wil men een aandeelhouder aansprakelijk stellen, bewezen moet worden dat de aandeelhouder een zorgvuldigheidsverplichting (of zelfs, afhankelijk van de omstandigheden, een zorgplicht) jegens de vennootschap en/of de bij haar betrokken belanghebbenden had en dat hij deze norm heeft geschonden. Bovendien moet, zoals hierboven reeds aan de orde is gekomen, die belanghebbende schade hebben geleden.