RvdW 2024/1038:Rijden onder invloed van alcohol, art. 8 lid 3 sub b WVW 1994. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Is sprake van ‘onderzoek’ a.b.i. art. 8 lid 3 sub b WVW 1994? 2. Voldoet beroep op art. 359a Sv van verdediging (recht op bijstand van advocaat tijdens verhoor is geschonden) aan de aan zo’n verweer te stellen eisen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie CAG: Hof heeft geoordeeld dat mededeling van recht op tegenonderzoek bij bloedafname geen strikte waarborg is a.b.i. art. 8 WVW 1994 en dat i.c. niet-naleving van deze bepaling door het te laat doen van mededeling een vormverzuim in zin van art. 359a Sv oplevert. Hof heeft aan de hand van stukken in dossier vastgesteld dat verdachte op 2 andere momenten is gewezen op recht op tegenonderzoek en heeft geoordeeld dat art. 13 lid 2 BADG geen strikte waarborg is, zodat niet gezegd kan worden dat er in dat verband geen rechtsgeldig onderzoek a.b.i. art. 8 WVW 1994 heeft plaatsgevonden. Dat oordeel berust niet op een verkeerde rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor oordeel van hof dat weliswaar sprake is van vormverzuim, maar verdachte daarvan en van andere gebreken geen nadeel heeft ondervonden, zodat met enkele constatering van vormverzuim kan worden volstaan. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Dat hof heeft geoordeeld dat verweer niet voldoet aan eisen die in rechtspraak aan ‘359a-verweer’ worden gesteld, is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. De in art. 359a lid 2 Sv bedoelde factoren worden in verweer immers niet of in ieder geval onvoldoende ter sprake gebracht, en conclusie van raadsvrouw dat resultaat van bloedonderzoek van bewijs dient te worden uitgesloten, volgt in pleidooi van raadsvrouw niet (zozeer) uit haar punt dat verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van verhoorbijstand, maar uit ‘veelheid van vormverzuimen’. Volgt verwerping.