Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.3.0
Introductie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS350395:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
§ 19, lid 1, tweede volzin EStG van 10 augustus 1925.
Het begrip `gemeiner Wert' wordt nog steeds in het handelsrecht gehanteerd en is thans gedefinieerd in § 9 BewG. Uit de daarin voorkomende definitie kan worden afgeleid dat het hier gaat om de directe opbrengstwaarde (de waarde van het goed bij individuele vervreemding) zonder dat daarbij de liquidatie van de onderneming in het geding is. Het BewG verwoordt het als volgt: `Gemeiner Wert ist der Preis, der im gewiihnlichen Geschgtsverkehr nach der Beschaffenheit des Wirtschaftsgutes, bei einer Verhusserung zu erzielen ware. Dabei sind alle UmsMnde, die den Preis beeinflussen, zu ber0cksichtigen'
Aantekening 573 bij § 6 EStG
Entscheidungen des Reichsoberhandelsgerichts 12, 15 (19)
Entscheidungen des Oberverwaltungsgerichts, Band VI, blz. 30.
§ 19, lid 1 EStG 1925.
Zeitschrift des Deutschen Notarvereins 1913, blz 155 e.v.
RFH 14 december 1926, VIA 575/26, Amtl. Slg. Bd. 20, 88f
Voor het verkrijgen van een goed inzicht in de historische ontwikkelingen van het begrip `Teilwert' is het noodzakelijk om terug te kijken op het verleden. Het Nederlandse equivalent van het Duitse begrip `Teilwert' is hedriffswaarde'. In 1925 werd deze term voor het eerst in de Duitse inkomstenbelastingwetgeving opgenomen1.
Voorloper van het begrip `Teilwert' was de uit het handelsrecht stammende term `gemeiner Wert'2 waarmee gedoeld werd op het nut dat een goed voor de gebruiker heeft. Later evolueerde de `gemeiner Wert' tot de ruilwaarde casu quo verkoopprijs waarbij de objectiviteit van de waarderingsmethode normatief werd geacht, dat wil zeggen de individueel bepaalde waarde maatgevend werd.
In de eerste inkomstenbelastingregelingen van de diverse Duitse bondsstaten werd geen afzonderlijke waarderingsregeling voor activa en passiva opgenomen. Men zocht aansluiting bij bestaande handelsrechtelijke waarderingsmethoden, met name de individuele verkoopopbrengst van een goed bij liquidatie van de onderneming. In die optiek vervulde de fiscaalrechtelijke balans primair de functie van bescherming van de schuldeisers van de onderneming.
Theoretisch gezien is de `gemeiner Wert' voor de hoogte van de `Teilwert' niet van belang. Praktisch gezien echter kunnen de `gemeiner Wert' en de `Teilwert' met elkaar overeenstemmen. (Te denken valt daarbij aan situaties waarbij de Teilwert gelijk te stellen is met de individuele directe opbrengstwaarde.) Veelal zal de Teilwert duidelijk boven de `gemeiner Wert' liggen zoals Herrmann/ Heuer /Raupach3 verduidelijken aan de hand van een voorbeeld met betrekking tot de waarde van een afschrijfbaar bedrijfsmiddel kort na de ingebruikneming. De `gemeiner Wert' is op dat moment al duidelijk beneden de aanschaffingsprijs gedaald omdat het bedrijfsmiddel bij verkoop als een gebruikt (tweedehands) goed wordt aangemerkt. Ondanks de ingebruikneming van genoemd bedrijfsmiddel is de `Teilwert' echter nog steeds met de aanschaffingsprijs gelijk te stellen op basis van het zogenaamde `Teilwertvermoeden' (waarover later meer). Bij onverkoopbare goederen kan de `gemeiner Wert' nihil bedragen, terwijl deze desondanks een `Teilwert' bezitten.
Om een helder beeld van de ontwikkeling in de jurisprudentie aangaande de verhouding directe opbrengstwaarde en `Teilwert' te krijgen, is het dienstig om te beginnen met een analyse van een uitspraak van het Reichsoberhandelsgericht van 3 december 18734. Het rechtscollege komt met betrekking tot de handelsbalans voor het eerst met de opvatting naar voren dat (indien liquidatie van de onderneming niet aan de orde is) waardering van activa en passiva dient te geschieden op basis van voortgezette uitoefening van de onderneming. Het Reichsoberhandelsgericht verwijst daarbij naar het zogenaamde going-concern principe, dat wil zeggen een uitleg van het begrip `gemeiner Werf waarin voortzetting van de onderneming centraal staat. Deze zienswijze was volledig nieuw voor die tijd en vanaf dat moment sprak men ook wel van de zogenaamde `modifizierter gemeiner Wert'. In 1897 neemt het Pruisische Oberverwaltungsgericht5 deze waarderingsregel voor het belastingrecht over door te overwegen dat waardering van het betrokken goed dient te geschieden 'bei fortgesetztem Betriebe'.
In 19256 spreekt de Duitse wetgever nog wel over `gemeiner Wert' maar maakt daarbij een onderscheid tussen voorraden en overige activa. Voor voorraden is de `gemeiner Wert' op te vatten als marktprijs bij individuele verkoop; bij de overige activa dient de `gemeiner Wert' te worden bepaald met inachtneming van de omstandigheid dat het betrokken goed deel van het vermogen van de onderneming uitmaakt. In 1913 gebruikt Von Mirre7 voor het eerst de term `Teilwert'. Hij schrijft: `...wenn Einzelwerte angegeben werden sollen. Es ist einleuchtend, dass dann nicht der gemeine Wert der einzelnen Sache, sondern ihre Bedeutung fUr die ganze Einheit, zu der sie gelb5rt, hier kurz Teilwert (cursivering GM) genannt, zu ermitteln ist.'
Uiteindelijk introduceert het Reichsfinanzhof (RFH) in 1926 de term 'Teilwert' in de belastingrechtspraak8. (Curieus is dat op dat moment het toenmalige EStG uit 1925 het begrip `Teilwert' nog niet gebruikte.) Het Reichsfinanzhof overweegt: 'Bei einem zu einer wirtschaftlichen Einheit geb5renden Gegenstand ist (...) zu unterscheiden zwischen dem Werte, den der Gegenstand als Teil der wirtschaftlichen Einheit hat, kurz gesagt dem Teilwert, und dem Werte, den er aus dem Zusammenhang gerissen fr sich haben wrde, kurz gesagt dem Einzelwerte'.