Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.2.1
9.4.2.1 Karakterisering van de pleitbaarheid: geheel ontbreken van verwijtbaarheid (AVAS)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940279:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 4 lid 2 BBBB. De in het BBBB genoemde criteria (stand van de jurisprudentie en de heersende leer) lijken samen te vallen met de huidige leer van de Hoge Raad: in het Credit Suisse-arrest ging het bijvoorbeeld om passages uit de wetsgeschiedenis en de in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen, terwijl ook meewoog dat de Hoge Raad zich nog niet over een voldoende vergelijkbaar geval had uitgesproken, zie HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.9.
De Hoge Raad gaf aan dat voor de vergrijpboetes van zowel art. 67d, art. 67e als art. 67f AWR hetzelfde toetsingskader geldt, HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.5-3.4.6. Opvallend genoeg werden in HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, r.o. 2.3.2, alleen de vergrijpboetes van art. 67d en art. 67f AWR genoemd.
Zie het huidige par. 4 lid 1 (eerste volzin) en lid 2 (slotzin) BBBB. Dit beleid bestond reeds op grond van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 9 november 2000, BNB 2001/13.
HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, r.o. 2.3.3.
HR 13 mei 1992, BNB 1992/242, r.o. 3.4, HR 10 juni 1992, BNB 1992/275, r.o. 3.4, HR 5 januari 2000, V-N 2000/14.17, BNB 2000/85, r.o. 3.9. Later werd de gebruikte standaardformule aangepast als hiervoor opgemerkt.
In de literatuur wordt hier wel anders over gedacht, zie de Conclusie van A-G Niessen voor HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, par. 3.2 en de verwijzingen aldaar. De Redactie Vakstudie-Nieuws achtte het bovendien opvallend dat de leer van het pleitbaar standpunt op grond van het beleid ook voor verzuimboetes geldt, zie de Aantekening bij HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.22. In de Aantekening bij HR 29 september 2023, V-N 2023/43.14 leidt de Redactie echter uit het arrest HR 13 mei 1992, BNB 1992/242 af dat een pleitbaar standpunt inhoudt dat er sprake is van AVAS.
Met dien verstande dat dit AVAS-verweer dan moet worden opgevat als een stelling van tegenbewijs van de centrale stelling die de verwijtbaarheid betreft (zie daarover nader paragraaf 9.4.1.2 en paragraaf 9.4.2.2 hierna).
Zie bijvoorbeeld Rb Den Haag 21 december 2007, nr. AWB 07/1577 (zie m.n. r.o. 4.20), kenbaar uit de Hofuitspraak van Hof Den Haag 27 maart 2009, nr. 08/00041 (zie r.o. 6.5): AVAS (in plaats van het veeleer voor de hand liggende pleitbare standpunt) omdat de belastingplichtige vanwege de complexe materie en de juridische en feitelijke onduidelijkheden redelijkerwijs kon menen dat er geen sprake was van een belastbaar feit. Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2015, V-N 2015/26.1.2 enerzijds en de Hofuitspraak die leidde tot HR 22 april 2016, V-N 2016/30.22.6 (art. 81 Wet RO) anderzijds.
Zie het huidige par. 4 lid 1 (eerste volzin) en lid 2 (slotzin) BBBB en het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 maart 2007, nr. CPP2006/2918M, Stcrt. 2007, 63. Het beleid bestond ook daarvoor reeds op grond van het Besluit van 9 november 2000, BNB 2001/13.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 15 november 2016, V-N 2017/17.20, r.o. 5.16 en de Redactie van Vakstudie-Nieuws in de Aantekening.
Zie voor deze omschrijving Hof Amsterdam 15 november 2016, V-N 2017/17.20, r.o. 5.12.
Zie paragraaf 9.4.1.4.
In dezelfde zin: Bruijsten 2012, par. 3.3.
Zij noemt de aanpak van de Hoge Raad om die reden de ‘objectieve werking van het pleitbare standpunt’, Kors 2017-I, p. 169 e.v. (zie ook Kors 2017-II, par. 5.1). Zie voor de hier bedoelde criteria nader paragraaf 6.4.
Kors 2017-III, par. 5 (slot) en par. 8.
Kors 2017-I, p. 180-181. Ook kan er juist geen sprake van AVAS zijn geweest, zie Kors 2017-III, par. 5 (slot).
HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.5 en r.o. 3.4.9. Zie ook reeds HR 22 april 1998, BNB 1998/201. De strafkamer van de Hoge Raad leek hier aanvankelijk anders over te denken (zie HR 6 maart 2012 (strafkamer), NJ 2012,176, NJB 2012/727, r.o. 7.3 en 7.4). De Hoge Raad heeft inmiddels echter duidelijk gemaakt dat de strafkamer de uitgangspunten uit het fiscale arrest van 21 april 2017 zal volgen, zie HR 3 oktober 2017 (strafkamer), V-N 2018/2.10, r.o. 4 (in een overweging ten overvloede) en daarna – uitdrukkelijk – HR 1 december 2017 (strafkamer), V-N 2018/8.11, r.o. 2.4 en 2.5 en HR 6 oktober 2020 (strafkamer), V-N 2020/54.20, r.o. 2.3. Opvallend is wel, dat de Hoge Raad het in fiscale strafzaken kennelijk noodzakelijk acht om aanvullend te oordelen dat door het pleitbare standpunt niet aan de opzet-criteria wordt voldaan (hetgeen in lijn is met de opvatting van Kors, zie Kors 2017-II, par. 5.4).
Zie hieromtrent nader Bruijsten 2012, par. 2.3 en Feteris 2007, p. 351, alsmede de verwijzingen aldaar.
HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, r.o. 2.3.4. Verder kunnen ook later gestelde (en beantwoorde) prejudiciële vragen de pleitbaarheid van een eerder ingenomen standpunt bevestigen, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.14, BNB 2023/124, r.o. 4.7.3-4.7.4.
Aldus, uitdrukkelijk: HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.5 (slotzin).
Zie ook Kors 2017-II, par. 5.2-5.4. Zij wijst erop dat het opvallend is dat de Hoge Raad in belastingzaken geen afzonderlijke toets aan de opzet-criteria toepast, terwijl dat in strafzaken kennelijk nog wél nodig is.
Zie paragraaf 9.3.4.1.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5, r.o. 4.11. Naar mijn mening is deze overweging in het licht van het ruim een maand later gewezen Credit Suisse-arrest van de Hoge Raad niet helemaal juist: het Hof leek namelijk, ter motivering van het ontbreken van de pleitbaarheid, ook te wijzen op de kennis van de betrokken derde (de notaris). Dat zegt hoogstens iets over de subjectieve pleitbaarheid. In Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22 (waarin de boete wegens medeplegen, opgelegd aan de betrokken derde centraal stond) gaf het Hof in de vorm van een overweging ten overvloede aan waartoe ‘een meer subjectieve benadering’ zou leiden (r.o. 4.20).
HR 2 maart 2012, V-N 2012/14.20, BNB 2012/123, r.o. 3.5, HR 19 juli 2019, V-N 2019/35.16, BNB 2020/21, HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.15, r.o. 3.3, HR 29 september 2023, V-N 2023/43.14, r.o. 4.5.
HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25. Deze leer werd bevestigd in HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.20, BNB 2020/108 (een door een lagere rechter gevolgd standpunt dat louter van feitelijke aard is – dat wil zeggen berust op feitelijke vaststellingen en een waardering van de bewijsmiddelen – levert geen pleitbaar standpunt op, omdat het moet gaan om een juridisch standpunt). De precieze grens tussen de (zuivere) vaststelling van de feiten enerzijds en de rechtskundige duiding van de feiten anderzijds is niet altijd eenvoudig te trekken, zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, V-N 2023/13.16, r.o. 4.38 (zie ook de kritische Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws en de voorafgaande uitspraak van de rechtbank).
In theorie zou er op andere gronden nog wel sprake kunnen zijn van AVAS.
Aldus ook Rb Noord-Holland 10 juni 2021, V-N 2021/33.14 (medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan art. 67e AWR door een belastingadviseur, boete vernietigd), r.o. 75. Zie voor de – gelijkluidende – afloop Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21. Vgl. ook Rb Noord-Nederland 16 september 2022, V-N 2022/53.15 en de – kritische – Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws daarbij.
Het BBBB gaat uit van een definitie van het pleitbare standpunt die redelijk aansluit op de definitie die de Hoge Raad thans hanteert. Volgens het BBBB is namelijk sprake van een pleitbaar standpunt wanneer dat standpunt, ‘gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen’.1 Wel gaat het BBBB voor wat betreft het ontbreken van de verwijtbaarheid een stap verder dan de Hoge Raad: bij een pleitbaar standpunt kan de belastingplichtige er ‘geen verwijt’ van worden gemaakt dat aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven.2
Uit de meer recente jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een pleitbaar standpunt in ieder geval relevant is bij vergrijpboetes, omdat een pleitbaar standpunt betekent dat er geen sprake kan zijn van opzet of grove schuld.3 De reikwijdte van het leerstuk is daartoe echter niet beperkt. Het BBBB bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat een pleitbaar standpunt ook het opleggen van een verzuimboete uitsluit.4 De Hoge Raad heeft dat (onder verwijzing naar het BBBB) in 2019 bevestigd.5 Al veel eerder had de Hoge Raad het pleitbaar standpunt ook ten aanzien van verzuimboetes toegepast, waarbij hij de formulering gebruikte dat ‘niet kan worden gezegd dat bij belanghebbende enige schuld aanwezig is’.6 Daarvan uitgaande is een beroep op het BBBB niet nodig.7
Naar mijn mening is de ‘oude’ formulering van de Hoge Raad ook thans nog juist: in juridische zin is er bij een pleitbaar standpunt sprake van afwezigheid van alle schuld. Het pleitbaar standpunt is daarom in wezen een typisch fiscale verschijningsvorm van AVAS.8 In de feitenrechtspraak lijkt steun te vinden voor deze opvatting.9 Verder wijs ik op de hiervoor genoemde huidige redactie van het BBBB: sinds de wijziging van 21 maart 2007 wordt het pleitbaar standpunt nadrukkelijk op één lijn gesteld met AVAS.10 Het pleitbaar standpunt wordt echter ook wel gezien als een afzonderlijk fenomeen, dat naast AVAS bestaat.11
In het licht van de letterlijke betekenis van AVAS kan de gelijkschakeling van het pleitbaar standpunt wellicht als vergaand worden ervaren. Is wel alle schuld afwezig, als er weliswaar een in redelijkheid verdedigbaar, maar niettemin onjuist standpunt is ingenomen?12 Naar mijn mening is in dit kader echter niet meer relevant in welke mate het standpunt precies verdedigbaar was, omdat er – evenals bij AVAS13 – sprake is van een minimale drempelwaarde. Als de boeteling die drempel haalt (het standpunt was dus zodanig pleitbaar, dat hij het in redelijkheid kon innemen), dan is er sprake van het ontbreken van elke verwijtbaarheid en dus van AVAS.14 Naar mijn mening is de hiervoor genoemde formulering uit het BBBB, dat bij een pleitbaar standpunt ‘geen verwijt’ kan worden gemaakt, dus juist. Evenzeer acht ik het terecht dat een pleitbaar standpunt ook verzuimboetes uitsluit. Deze opvattingen zijn echter niet onomstreden. Zo meent Kors dat de Hoge Raad bij de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt ten onrechte niet meer afzonderlijk aan de criteria voor opzet of grove schuld toetst.15 Hetzelfde geldt volgens haar bij verzuimboetes: daar moet nog afzonderlijk aan de criteria voor AVAS worden getoetst.16
Dit verschil in opvatting kan tot verschillende uitkomsten leiden, afhankelijk van het antwoord op de vraag of het moet gaan om een subjectief pleitbaar standpunt of om een objectief pleitbaar standpunt. Bij een standpunt dat achteraf bezien weliswaar objectief pleitbaar was, kan er in de opvatting van Kors nog steeds opzet hebben bestaan (omdat de belastingplichtige bijvoorbeeld bewust een in zijn ogen onjuiste aangifte deed).17 In het Credit Suisse-arrest heeft de Hoge Raad ook deze knoop definitief doorgehakt: de pleitbaarheid moet louter naar objectieve maatstaven worden beoordeeld.18 Een belastingplichtige kan dus ook zonder het te weten een pleitbaar standpunt innemen.19 De pleitbaarheid kan bovendien ontstaan na het begaan van het beboetbare feit, bijvoorbeeld als het standpunt na verloop van tijd wordt verdedigd in een gezaghebbende bron (zoals een Conclusie van de A-G).20 Verder is niet van belang of de belastingplichtige de pleitbare uitleg van het recht daadwerkelijk voor ogen heeft gestaan.21 Deze beslissing bevestigt in mijn optiek dat het pleitbaar standpunt een vorm van AVAS is, hoewel de Hoge Raad dat niet met zoveel woorden heeft opgemerkt.22 Naar mijn mening vloeit uit de zuiver objectieve beoordeling van de pleitbaarheid ook voort, dat de eventuele kennis van een derde-gemachtigde niet terzake doet, zodat de vraag of die kennis aan de boeteling kan worden toegerekend,23 geen beantwoording behoeft.24
Ten slotte volgt uit het objectieve karakter dat een boeteling die op enig moment in rechte in het gelijk is gesteld, niet altijd een pleitbaar standpunt heeft. Dat is alleen het geval als een lagere rechter de boeteling op rechtskundige (juridische) gronden gelijk heeft gegeven (ook al wordt dat rechtsoordeel later in hoger beroep of cassatie verworpen door de hogere rechter).25 Een gunstig oordeel van een lagere rechter levert echter geen pleitbaar standpunt op als dat oordeel later sneuvelt op de feitenvaststelling of op de bewijswaardering.26
Gelet op het voorgaande levert de enkele omstandigheid dat er achteraf bezien geen sprake is geweest van een pleitbaar standpunt, naar mijn mening nog geen (positief) bewijs van opzet of grove schuld op. De afwezigheid van een pleitbaar standpunt houdt in dat de belastingplichtige – naar objectieve maatstaven gemeten – niet redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het (fiscale) recht en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. Dat betekent niet meer dan dat ten aanzien van het ingenomen, niet-pleitbare standpunt niet alle verwijtbaarheid ontbreekt. Er is dus (hoogstens27) sprake van ten minste enige verwijtbaarheid, waardoor het opleggen van een verzuimboete in beginsel mogelijk is. Wat de aard en de ernst van het verwijt precies is, volgt echter niet uit het enkele ontbreken van een pleitbaar standpunt.28