Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.8
8.2.8 De situatie bij een voorwaardelijke making
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401980:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 809.
Meijers 1948, p. 92, L.C.A. Verstappen, ‘Makingen onder tijdsbepaling en voorwaarde naar nieuw erfrecht, in het bijzonder fideï-commissaire voorwaardelijke makingen (II, slot)’, WPNR 2000 (6399), p. 289, Vegter 2002, p. 319-321, Mollema 2007, p. 144, Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 291, voetnoot 433, Asser/Perrick 4 2013, nr. 229 en Brinkman 2014, p. 28 (zie over diens kwalificatie nog hierna in voet-noot 450). Vgl. ook Verstappen 2015, p. 283-284. Anders: H.B. Reehuis 2016, p. 129-132. Terecht merkt Asser/Perrick 4 2013, nr. 229 op dat lezing van de T.M., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 823-824 in samenhang met Meijers 1948, p. 92 dwingt tot de conclusie dat terstond een recht wordt verkregen, omdat hier sprake is van een door de erflater gestelde voorwaarde. Daarmee geldt niet meer wat Meijers voor het oude recht verdedigde dat slechts sprake was van een verwachting (zie bijv. Asser/Meijers 1941, p. 454), hetgeen logischerwijs voortvloeide uit de benadering dat sprake was van een wettelijke voorwaarde. Aangezien in een dergelijk geval voor vervulling van de voorwaarde nog niet is voldaan aan een van de totstandkomingsvereisten voor de rechtsverkrijging, kan nog niet van een recht worden gesproken. Aangezien een recht pas kan worden verkregen als aan alle totstandkomingsvereisten (waaronder de vervulling van de wettelijke voorwaarde) voor de rechtsverkrijging is voldaan, kan een wettelijke voorwaarde niet de rechtsgevolgen van een door partijen (of de erflater) gestelde voorwaarde hebben.
Ogenschijnlijk anders: Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 423. Het in de hoofdtekst verdedigde neemt niet weg dat het vanwege de strekking van bepaalde erfrechtelijke bepalingen nuttig of zelfs noodzakelijk kan zijn om bij vervulling van de voorwaarde te fingeren alsof de nalatenschap opnieuw openvalt. Zie daarover uitgebreid Brinkman 2014, passim, i.h.b. p. 13 en p. 139 e.v. Vgl. ook Verstappen 2015, p. 279, p. 305 en p. 456.
Asser/Perrick 4 2013, nr. 200. Anders: H.B. Reehuis 2016, p. 130.
Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 424, Mollema 2007, p. 145, Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 292 en Verstappen 2015, p. 309.
T.M., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 811. Anders dan veelal wordt aangenomen (in die richting bijv. de slotzin van het oorspronkelijke lid 1 van art. 4:138 BW, Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 424 en Verstappen 2015, p. 303-304), houdt dit niet in dat hij slechts kan beschikken onder dezelfde voorwaarde – de rechthebbende van een voorwaardelijk recht kan dit immers ook onvoorwaardelijk vervreemden – maar dat slechts over het voorwaardelijke recht kan worden beschikt. Zie Asser/Perrick 4 2013, nr. 200. Zoals Mollema 2007, p. 145 opmerkt is dat simpelweg een consequentie van de nemo-plus-regel. Zie ook nog hierna in paragraaf 8.9.
De hier voor de voorwaardelijke overdracht verdedigde systematiek stemt over-een met de rechtsgevolgen van een voorwaardelijke making in het erfrecht. Een dergelijke making heeft ook goederenrechtelijk effect, in die zin dat vervulling van de voorwaarde zonder meer bewerkstelligt dat degene aan wie het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt door vervulling van de voorwaarde onvoorwaardelijk rechthebbende wordt.1
Deze goederenrechtelijke werking is op vergelijkbare wijze vormgegeven, doordat de verwachter terstond een recht onder opschortende voorwaarde verkrijgt.2 Dit recht van de verwachter is afgesplitst van het onvoorwaardelijke recht, als gevolg waarvan ook het recht van de bezwaarde dienovereenkomstig is beperkt, in die zin dat hij slechts een recht onder ontbindende voorwaarde heeft. Ook hier voltrekt de rechtsverkrijging zich – ondanks de opschortende voor- waarde – dus meteen en niet pas met de vervulling van de voorwaarde.3
Gedurende de periode van onzekerheid zijn zowel de bezwaarde als de verwachter rechthebbende van een voorwaardelijk recht, waarbij de voorwaarden een tegengestelde inhoud hebben, zodat de beide rechten elkaar uiteindelijk uitsluiten. Vervulling of verval van de voorwaarde bewerkstelligt dat een van beide rechten uitgroeit tot het onvoorwaardelijke recht. Aldus waarborgt ook hier de splitsing van het recht de goederenrechtelijke werking bij de vervulling van de voorwaarde.
Uit het feit dat artikel 4:138 lid 1 BW de bezwaarde gedurende de periode van onzekerheid voor zover het betreft de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen aanmerkt als uitsluitend rechthebbende, kan niets anders worden afgeleid.4 Juist uit het feit dat de wet de bezwaarde hier door middel van een fictie (‘wordt als de uitsluitend rechthebbende aangemerkt’) een grote rechtsmacht toekent, blijkt namelijk dat hij in werkelijkheid – dat wil zeggen: zonder de toepasselijkheid van de fictie – slechts een beperktere rechtsmacht heeft, die een gevolg is van het feit dat zijn recht door de ontbindende voorwaarde is beperkt. Dit blijkt ook duidelijk uit de omstandigheid dat uit de omstandigheid dat de bezwaarde ten opzichte van derden als uitsluitend rechthebbende moet worden aangemerkt, niet kan worden afgeleid dat hij ook bevoegd is om te beschikken over een onvoorwaardelijk recht.5 Hij kan – behoudens derdenbescherming – en mag slechts beschikken onder eerbiediging van de voorwaarde.6