Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.7:8.7 'Teilwert' en ficties
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.7
8.7 'Teilwert' en ficties
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351659:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de feitelijk waardevaststelling van de `Teilwert' doet zich steeds weer een groot probleem voor. Er moet met drie ficties rekening worden gehouden, die zijn gebaseerd op de:
voortzetting van de onderneming
verwerving van de gehele onderneming (en niet van een individueel goed)
koopprijs van de gehele onderneming (waaruit dan de `Teilwere van een individueel goed dient te worden geabstraheerd).
Deze ficties moeten allemaal vanuit het oogpunt van de fictieve koper beoordeeld worden. Voordeel hiervan is dat daardoor de persoonlijke omstandigheden van de ondernemer (wiens onderneming gewaardeerd wordt) buiten beschouwing worden gelaten. Maar tegelijkertijd is dit een groot probleem aangezien een volledig objectieve waardering op zichzelf al onmogelijk is. Waarderen is en blijft bij uitstek een subjectieve aangelegenheid.
Terecht zijn Herrmann /Heuer/Raupach1 van mening dat het eigenlijk in dergelijke gevallen niet om ficties gaat maar om een waardering die gericht is op de realiteit. De waardering geschiedt immers in het kader van de voortzetting van de bestaande onderneming.
Ad a. De fictie van de voortzetting van de onderneming is erop gebaseerd dat de fictieve verkrijger de onderneming op dezelfde wijze voortzet als thans de ondernemer. Maar hoe staat het met nutteloze, onzinnige of zelfs strafbare handelingen van de huidige ondernemer? Volgens Herrmann/Heuer /Raupaan2 gaat genoemde veronderstelling niet zo ver dat de fictieve verkrijger geacht wordt onzakelijke of strafbare handelingen voort te zetten.
Maar om aan te tonen dat het niet altijd eenvoudig is vast te stellen welke handelingen door de 'overnemende' ondernemer zullen worden voortgezet, geven Herrmann /Heuer /Raupach een voorbeeld van een onderneming die in het productieproces grondstoffen van mindere kwaliteit gebruikt. De ondernemer is het desondanks jarenlang gelukt om zijn producten tegen hogere prijzen (dan je zou veronderstellen op basis van de kwaliteit) te verkopen. De drie auteurs gaan ervan uit dat een fictieve verkrijger deze vervalsingspraktijken niet zal voortzetten. De `Teilwerf van de voorraad gereed product is dan ook gelijk te stellen aan de individuele directe opbrengstwaarde (marktprijs) waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de mindere kwaliteit van de bewuste producten.
Ad b en c. De fictie van de verwerving van de gehele onderneming en de daaruit te distilleren `Teilwerf van een individueel goed heeft volgens het Bundesfinanzhof3 voornamelijk tot doel om de liquidatiewaarde van een goed als `Teilwerf aan te merken. Daarbij dient steeds uitgegaan te worden van de vraag wat een verkrijger betaald zou hebben als hij zich in de positie van de huidige ondernemer (belastingplichtige) zou hebben bevonden.