Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.6
8.2.6 Nadere uitwerking
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394948:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 561: ‘Bereits das aufschiebend bedingte Eigentum des Vorbehaltskäufers bewirkt also (…) eine sachenrechtlich wirksame Beschränkung der Rechtsstellung des Vorbehaltseigentümers.’ In de literatuur over de vraag hoe de vestiging van een beperkt recht dogmatisch moet worden verklaard, heeft men zich wel tegen een zodanige zienswijze gekeerd. Daarbij wordt vooral teruggegrepen op het argument van I. Kisch, ‘Formulering van rechtsregels in het Ontwerp B.W.’, WPNR 1955 (4407), p. 323 dat het onmogelijk is ‘dat een fragment zou kunnen drukken te zelfder plaatse als waar het is uitgesneden, dus zou kunnen drukken waar geen druk-vlak meer bestaat.’ Zonder hier in te gaan op de vraag hoe de vestiging van een beperkt recht dogmatisch moet worden verklaard, valt daartegen in te bren-gen dat een dergelijke natuurkundige benaderingswijze voor het recht van weinig waarde is, nu de vestiging van een beperkt recht geen fysisch verschijnsel is, maar een juridisch concept. Met een zodanig abstract gebeuren verdraagt zich zonder meer de benadering dat juist de afsplitsing leidt tot een beperking van het recht: de beperking is dan immers juist gelegen in het feit dat een deel is afgesplitst.
Vgl. Scheltema 2003, p. 332 en Peter 2007, p. 147. Zie ook Stolz 2015, p. 948: ‘In de benadering dat geen sprake is van een dergelijke splitsing, kan de beperkte beschikkingsbevoegdheid van de bezwaarde niet voortvloeien uit het feit dat een deel van de gerechtigdheid (reeds) bij de verwachter berust. Daarmee is tevens de grondslag voor een dergelijke beperkte beschikkingsbevoegdheid onduidelijk.’
Zo bijv. Kortmann 1992, p. 202.
Vgl. Mezas 1985, p. 34-35, Scheltema 2003, p. 332 en Peter 2007, p. 149.
Vgl. Zwitser 1993, p. 528: ‘Indien de eigenaar onder opschortende voorwaarde niets zou hebben, zou de eigenaar onder ontbindende voorwaarde alles, te weten de volle eigendom moeten hebben. Maar we weten al dat dit niet zo is.’ Zie ook Stolz 2015, p. 948.
Zo echter Wibier 2013, p. 290 en Nieuwesteeg 2015, p. 173. Deze werking wordt er op gebaseerd dat de overdracht al heeft plaatsgevonden. Wanneer die overdracht tot het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat nog geen werking heeft, valt niet in te zien hoe vervulling van de voorwaarde dan zonder meer tot eigendomsverkrijging leidt, wanneer de verkoper tot dat moment onvoorwaardelijk eigenaar blijft en dus de vervulling van de voorwaarde eenvoudig zou kunnen frustreren door de zaak aan een derde over te dragen. Dat de overdracht aan de koper al eerder tot stand is gekomen, doet daar niet aan af, omdat het recht dan op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat niet meer aan de verkoper toebehoort, zodat dit recht ook niet meer van hem kan overgaan op de koper. Neemt men daarentegen aan dat de zaak dan alsnog het vermogen van de tweede koper verlaat en de eerste koper de zaak verwerft, dan neemt men wel degelijk aan dat de voorwaardelijkheid aan de zaak zelf kleeft en derhalve leidt tot een begrenzing van de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper. Naar mijn mening vergt een consequente systematiek dat deze beperking een gevolg is van het terstond verkrijgen van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde door de koper. Vgl. Scheltema 2003, p. 255, voetnoot 107 en p. 315 die opmerkt dat men voor goederenrechtelijke werking bij de opschortende voorwaarde wel móÉt aanvaarden dat direct een door de voorwaarde beperkt recht overgaat.
Zo bijv. Van Swaaij 2000, p. 190-192 en H.B. Reehuis 2016, p. 132.
Zo treffend Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 456: ‘Das ist schon logisch ausgeschlossen. Entweder begründet das Abhangigmachen des Eigentums von der Zahlung bedingtes Eigentum oder nicht. Die Bejahung muû für beide Beteiligte gelten.’ Zie voorts Rummel & Lukas/Rummel 2014, § 897 ABGB, Rn. 13. Vgl. ook Rank-Berenschot 1998, p. 154 over de overdracht onder tijdsbepaling. Zie ook Letzgus 1938, p. 12-13, Zwitser 1993, p. 528 en Rongen 2014, p. 305-306.
Veelal wordt dan ook volstaan met de constatering dat vervulling van de voorwaarde eigendomsovergang tot gevolg heeft. Hoe deze goederenrechtelijke werking is gewaarborgd, blijft vervolgens onbesproken. Zie bijv. Kortmann 1992, p. 203.
Vgl. Kortmann 1992, p. 205, voetnoot 25.
Zie hiervoor in voetnoot 29.
Zie nader hierna in paragraaf 8.10.1. Anders: Kortmann 1992, p. 202, Zwitser 1993, p. 528, Reehuis 1998, p. 48, Van Swaaij 2000, p. 191, Scheltema 2003, p. 355, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 220a, Reehuis 2010, nr. 102, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 411, Stolz 2015, p. 990, p. 1021, voetnoot 432, Verstappen 2015, p. 282 en Nieuwesteeg 2015, p. 170. Zie ook Rongen 2014, p. 306. Volgens laatstgenoemde is dit ondenkbaar, omdat dan geen sprake is van een derivatieve wijze van verkrijging. Dat is echter wel degelijk het geval, zij het dat dit derivatieve moment zich reeds op het moment van het tot stand komen van de overdracht heeft voltrokken. Hybride is de benadering van Kortmann in punt 4 van diens noot onder HR 28 november 2014, JOR 2015, 26 waar hij opmerkt dat het eigendomsrecht van de verkoper eindigt doordat de eigendom van rechtswege overgaat op de koper. Vgl. ook Hartkamp 2005, p. 111 die enerzijds spreekt van het uitgroeien van het recht bij vervulling van de voorwaarde, maar anderzijds van het terugkeren van het recht bij vervallen van de voorwaarde. Zo ook Mezas 1985, p. 101-102.
Zie M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 145, alwaar terecht wordt opgemerkt dat vervulling van de voorwaarde bewerkstelligt dat het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde eindigt. In gelijke zinT.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 186: ‘De vervulling der voorwaarde doet hier rechten vervallen.’ Zo ook Faber 1997, p. 211, Fesevur 2005, p. 92 en A-G Rank-Berenschot in punt 2.27 van haar conclusie voor HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser). Niet nodig is derhalve een teruglevering van de voorwaardelijke eigendom, zoals door Schoordijk 1971, p. 459, voetnoot 17 wordt betoogd (kennelijk anders: Schoordijk 1986, p. 310). Het uitgroeien van de eigendom tot onvoorwaardelijke eigendom geschiedt immers automatisch door het vervallen van de voorwaarde.
Uit artikel 3:84 lid 4 BW volgt dat het tot stand komen van een overdracht onder opschortende voorwaarde tot gevolg heeft dat terstond een recht overgaat op de verkrijger, welk recht is onderworpen aan dezelfde voorwaarde. Deze overgang verklaart ook waarom het recht van de vervreemder beperkt is door de voorwaarde. Omdat terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde overgaat op de verkrijger, heeft de vervreemder nog slechts een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. Het is aldus de afsplitsing van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, die tot gevolg heeft dat het eigendomsrecht van de vervreemder beperkt is door de voorwaarde.1 Artikel 3:84 lid 4 BW bewerkstelligt daarmee een splitsing van het eigendomsrecht gedurende de periode van onzekerheid.
Het wekt enige verbazing dat lange tijd onduidelijkheid heeft kunnen bestaan over de rechtspositie van de koper onder eigendomsvoorbehoud, terwijl tegelijkertijd vrijwel eenstemmig werd aanvaard dat het eigendomsrecht van de verkoper is beperkt door de voorwaarde. Het valt immers niet goed in te zien hoe het recht van de vervreemder gedurende de periode van onzekerheid kan zijn beperkt, zonder dat sprake is van een corresponderende gerechtigdheid aan de zijde van de verkrijger.2 Voorwaarden kunnen immers niet zomaar in het wilde weg aan eigendomsrechten worden verbonden. Wanneer men zou aannemen dat gedurende de periode van onzekerheid alleen de verkoper eigenaar is, maar diens recht wel beperkt of belast is door de voorwaarde, rijst de vraag waaruit een zodanige beperking of belasting bestaat en waar de rest van het eigendomsrecht is gebleven. De voorwaardelijke overdracht zou in een dergelijke benaderingswijze leiden tot een inkrimping van het eigendomsrecht, zonder dat daar een rechtsverkrijging van de koper tegenover staat.3 Naar Nederlands recht gaat een belasting of een beperking van het eigendomsrecht daarentegen juist altijd gepaard met een daartegenover staande bevoegdheid of een daarmee corresponderend recht van een ander.4 Zoals hier wordt verdedigd staat tegenover het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde van de koper en leidt juist de overgang van het laatste recht tot een beperking van het eerstgenoemde recht.5
Het is dan ook van tweeën een: of men aanvaardt dat de verkoper nog eigenaar onder ontbindende voorwaarde is, waarvoor noodzakelijk is dat de koper een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft verkregen, of men gaat uit van het feit dat de verkoper nog onvoorwaardelijk eigenaar is. In het laatstgenoemde geval kan echter, zoals gezegd, niet worden volgehouden dat vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft.6 De door sommigen wel verdedigde systematiek dat de verkoper eigenaar onder ontbindende voorwaarde is, maar de koper nog geen eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft,7 is dan ook inconsequent.8 Zo laat zich in die benadering niet verklaren op welke wijze de verkrijger bij vervulling van de voorwaarde alsnog eigenaar wordt.9 Consequent geredeneerd heeft vervulling van de voorwaarde immers tot gevolg dat het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde vervalt (vgl. art. 6:22 BW). Hoe de koper desalniettemin eigenaar zou worden door vervulling van de voorwaarde, laat zich dan niet verklaren.10 Het antwoord op die vraag ligt in werkelijkheid besloten in het feit dat de verkrijger terstond bij het tot stand komen van de overdracht een recht heeft verkregen dat is onderworpen aan dezelfde voorwaarde. Vervulling van de voorwaarde bewerkstelligt dat dit recht werking verkrijgt (art. 6:22 BW) en daarmee onvoorwaardelijk wordt, terwijl het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde vervalt.
Doordat partijen gedurende de periode van onzekerheid beide een eigendomsrecht hebben dat is beperkt door de voorwaarde, is de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde gewaarborgd. Als gevolg van de nemo-plus- regel kan de verkoper immers nog slechts beschikken over diens eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde.11 Omdat dit recht vervalt door vervulling van de voorwaarde, raken beschikkingen over het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde de rechtspositie van de koper niet. Hij heeft reeds voordien een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkregen dat (zelfstandig) uitgroeit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.
Een belangrijke consequentie van de hier verdedigde systematiek is dat de eigendomsovergang niet pas plaatsvindt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, maar meteen op het moment dat aan alle voorwaarden van artikel 3:84 lid 1 BW is voldaan, zij het dat dat rechtsgevolgen van de overdracht worden beperkt door de aan de overdracht verbonden voorwaarde, in die zin dat slechts een eigendomsrecht wordt verkregen dat afhankelijk is van dezelfde voorwaarde (art. 3:84 lid 4 BW). Het ‘derivatieve moment’ van de overdracht vindt derhalve terstond plaats: meteen gaat een recht over dat aan de voorwaarde is onderworpen. Nadien vindt geen enkele overgang meer plaats.12 De vervulling of het vervallen van de voorwaarde bewerkstelligt uitsluitend dat het eigendomsrecht uitgroeit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht resp. vervalt.13