Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.4
8.2.4 De beperking van het eigendomsrecht van de verkoper
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393764:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mezas 1985, p. 34-36, Reehuis 1987, p. 150, Kortmann 1992, p. 205, Bartels 1997, p. 83, Faber 1997, p. 215- 216, Van Hees 1997, p. 99-101, Reehuis 1998, p. 51, Van Swaaij 2000, p. 190, Jansen 2001, p. 286, Scheltema 2003, p. 360, Hartkamp 2005, p. 111, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 220c, Faber 2007, p. 50, Peter 2007, p. 140 en p. 142, Reehuis 2010, nr. 102, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 411, nr. 493 en nr. 497, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 126 en nr. 967a, Reehuis 2013, nr. 53, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 241, Hijma & Olthof 2014, p. 96, Rongen 2014, p. 305, Kaptein 2014, p. 208, Spath 2014, p. 382 en Kortmann in punt 4 van diens noot onder HR 28 november 2014, JOR 2015, 26. In die richting ook Stolz 2015, p. 910 volgens wie de voorwaardelijke beschikking tot gevolg heeft dat nadien getroffen beschikkingen komen te eindigen met het intreden van de voorwaarde. Zie uit de parlementaire geschiedenis T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 186, M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1241 en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 145 en Rapport aan de Koningin, Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 151 en uit de rechtspraak HR 28 april 1989, NJ 1990, 252 m.nt. W.M. Kleijn (Puinbreker).
Zie de vindplaatsen in voetnoot 29.
Stolz 2015, p. 947-948.
Reehuis 2010, nr. 93, Reehuis 2013, nr. 77, Wibier 2013, p. 290 en Spath 2014, p. 379. Zie ook de twijfels bij Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 522.
Vriesendorp 1985a, p. 30: ‘een levering op grond van die verbintenis [kan] de verkrijger nimmer een recht verschaffen (…), nu haar werking immers is opgeschort.’ Zo ook H.B. Reehuis 2016, p. 136. Zie ook Vriesendorp 1985a, p. 52: ‘Op grond van de enkele overeenkomst met de koper onder eigendomsvoorbehoud valt een inperking van de beschikkingsbevoegdheid niet te baseren; deze afspraak heeft geen derdenwerking.’
Veelal wordt de verklaring voor de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde impliciet gezocht in de omstandigheid dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde zou zijn, zodat hij ook nog slechts kan beschikken over een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. De nemo-plus-regel bewerkstelligt vervolgens dat derden ook geconfronteerd worden met deze beperking van het eigendomsrecht door de voorwaarde. Dat de verkoper nog slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde is en dientengevolge nog enkel kan beschikken over het door de voorwaarde beperkte eigendomsrecht is voor het Nederlandse recht vrijwel onbestreden. Zowel de wetgever als de Hoge Raad heeft zich in die zin uitgelaten en ook in de literatuur treft men nauwelijks een andere opvatting aan.1
Deze benadering is in die zin begrijpelijk, dat een beperking van de beschikkingsmacht van de verkoper noodzakelijk is om de goederenrechtelijke werking ten opzichte van derden te waarborgen, wanneer deze goederenrechtelijke werking niet op andere wijze – zoals door de fictie van de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde of een specifieke beschermingsbepaling als § 161 BGB – is gegarandeerd. Bij gebreke van een dergelijke beperking van de beschikkingsmacht zou de verkoper de eigendomsverkrijging van de koper immers eenvoudig kunnen verijdelen door de zaak tussentijds aan een derde over te dragen. Onduidelijk blijft in deze benadering evenwel waarom de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog slechts een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde heeft. Geregeld wordt aangenomen dat het eigendomsrecht van de verkoper belast is met de voorwaarde of dat de voorwaarde het eigendomsrecht van de verkoper beperkt.2 Op welke wijze een dergelijke beperking of belasting van het eigendomsrecht wordt gerealiseerd, blijft daarbij vaak onduidelijk of zelfs onbesproken.3 Zij laat zich niet zonder meer uit het karakter van de overdracht onder opschortende voorwaarde afleiden. De aan de overdracht verbonden voorwaarde heeft immers tot gevolg dat de werking van de overdracht is uitgesteld tot het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat (vgl. art. 6:22 BW).4 Tot het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, heeft de overdracht strikt genomen geen werking. Hoe een overdracht zonder werking kan leiden tot een beperking van het eigendomsrecht, is niet aanstonds duidelijk. Tegen deze achtergrond laat zich de opvatting van Vriesendorp goed begrijpen: indien de overdracht nog geen werking heeft, is de verkoper nog volledig eigenaar.5
Hoe komt het dan toch tot deze beperking van het eigendomsrecht van de verkoper, welke beperking door vrijwel de gehele literatuur alsook de wetgever en de Hoge Raad als een gegeven wordt aangenomen?