Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.1
8.2.1 De opgeschorte werking van een rechtshandeling
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396146:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Stolz 2015, p. 252-253.
MünchKomm-BGB/Westermann 2015, § 158 BGB, Rn. 1 en Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 3. Vgl. ook Stolz 2015, p. 253 die opmerkt dat eigenlijk niet zozeer een verklaring moet worden gevonden voor de omstandigheid dat bepaalde gevolgen ondanks de opgeschorte werking reeds intreden, maar juist voor de omstandigheid dat de andere gevolgen vooralsnog niet intreden.
Von Tuhr 1914, p. 5-6 en Blomeyer 1938, p. 1.
R. von Jhering, Geist des römischen Rechts auf den verschiedenen Stufen seiner Entwicklung. Dritter Theil. Erste Abtheilung, Leipzig: Breitkopf 1865, p. 164-165.
Vgl. Blomeyer 1938, p. 4 e.v. en Schiemann 1973, p. 106.
Zie met uitgebreide verwijzingen Schiemann 1973, passim.
Vgl. Radke 2001, p. 83: ‘Genau besehen offenbart die Fiktion nur das Problem, dessen Lösung sie enthalten soll.’
De aanzet daartoe werd gegeven door Windscheid 1851, p. 17-19.
Niet helemaal, omdat de hierna te bespreken Vorwirkungen nu juist zorgen voor een overbrugging. Vgl. Schiemann 1973, p. 106.
In zoverre verschilt deze leer niet wezenlijk van de terugwerkende kracht, die namelijk dikwijls ook werd teruggevoerd op de veronderstelde partijwil. Zie bijv. G. Diephuis, Het Nederlandsch burgerlijk regt. Tiende deel, Groningen: Wolters 1886, p. 261-262 en Suijling 1934, p. 421.
Vgl. Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 14: ‘Funktionsweise der Bedingung ist die privatautonome Beschränkung der Geltung rechtsgeschäftlich gestalteter Wirkungen auf einen bestimmten Fall, nämlich den Eintritt oder Nichteintritt eines Umstands. Wie die Wirkungen des Rechtsgeschäfts selbst auf der Privatautonomie der Parteien beruhen, so steht es diesen als der normsetzenden Autorität auch frei, den Anwendungsbereich ihrer privatautonom getroffenen Anordnung selbst zu bestimmen.’
Von Tuhr 1914, p. 145-146 en Von Tuhr 1918, p. 271. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 16: ‘De voorwaarde is een middel dat de autonomie van partijen uitbreidt tot de toekomst’ en Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 12-14. Vgl. Stolz 2015, p. 252-253, p. 313 en p. 321-324.
Fitting 1856, p. 5-21. Deze Rückziehung verschilt in zoverre van de Rückwirkung dat niet wordt uitgegaan van de fictie van de terugwerkende kracht. De rechtsgevolgen van de voorwaardelijke rechtshandeling werken derhalve niet terug tot het moment van de totstandkoming van de rechtshandeling, maar zijn reeds vanaf het moment van totstandkoming aanwezig. De aan de rechtshandeling verbonden voorwaarde versluiert deze rechtsgevolgen echter in zoverre, dat pas met vervulling van de voorwaarde ‘die eigentliche wahre Natur eines vorhergehenden Zustandes offenbar und bestimmt wird’ (Fitting 1856, p. 6). De rechtsgevolgen verkrijgen dus niet pas werking op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, maar de vervulling van de voorwaarde bewerkstelligt slechts dat de reeds voorheen aanwezige rechtsgevolgen daadwerkelijk zichtbaar worden. De vervulling van de voorwaarde heeft daarmee geen constitutieve maar slechts declaratoire gevolgen. Scherp komt dit onderscheid tot uitdrukking bij Fitting 1856, p. 118. Per saldo schuurt zij echter nog sterk aan tegen de leer van de terugwerkende kracht.
HKK-BGB/Finkenauer 2003, §§ 158-163 BGB, Rn. 18 en Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 61. Vgl. voorts Flume 1992, p. 689 en Hartkamp 2003, p. 894. Ook het Oostenrijkse recht heeft zich onder invloed van de gemeenrechtelijke theorie en het Duitse recht in deze richting ontwikkeld. Zie Klang/ Beclin 2011, § 897 ABGB. Rn. 9 en 48 e.v. Ook de Nederlandse doctrine ontwikkelde zich onder het Oud BW reeds richting deze systematiek. Zie met verdere verwijzingen Stolz 2015, p. 204-207. Op welke wijze in een zodanig stelsel – d.w.z. zonder de fictie van de terugwerkende kracht – de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde vervolgens was gewaarborgd, bestond onder het oude recht veel onduidelijkheid. Zie hiervoor in hoofdstuk 4, paragraaf 4.8.2.
Door een opschortende voorwaarde te verbinden aan een rechtshandeling kan worden bewerkstelligd dat een scheiding in tijd bestaat tussen de totstandkoming van de rechtshandeling en het beoogde rechtsgevolg, namelijk de werking van de rechtshandeling.1 Daarmee wijkt een opschortend voorwaardelijke rechtshandeling af van de normale gevolgen van een rechtshandeling.2 In het algemeen bestaat er namelijk een samenval in tijd van de totstandkoming van de rechtshandeling en haar werking.3 Men kan in dat verband spreken van de concentratie van de rechtshandeling op een bepaald tijdstip: het ontstaan van een rechtshandeling en haar werking concentreren zich op hetzelfde moment, namelijk het moment dat aan de totstandkomingsvereisten van de desbetreffende rechtshandeling is voldaan. Zo geldt voor de eigendomsoverdracht (art. 3:84 BW) dat het rechtsgevolg – de eigendomsovergang – terstond plaatsvindt indien aan alle vereisten voor overdracht is voldaan. Het rechtsgevolg van de overdracht volgt gewoonlijk onmiddellijk op het moment dat aan alle vereisten is voldaan. Von Jhering sprak in dit verband van de Simultanität der Wirkungen van een rechtshandeling:
‘Wenn der Thatbestand des Rechtsgeschäfts vorliegt, so existirt es, und daû es existirt, äuûert es dadurch, daû es wirkt – ein Aufschub der Existenz oder der Wirkungen des Rechtsgeschäfts enthält demgemäû eine logische Unmöglichkeit. (…) Ein leerer Zwischenraum zwischen dem Rechtsgeschäft und der Entstehung des Rechts ist eben so unmöglich, wie eine Trennung von Ursache und Wirkung, oder eine Geburt, bei der das Leben erst nach einiger Zeit beginnen soll.’4
Bij een rechtshandeling onder opschortende voorwaarde wordt dit simultaneïteitsdogma ogenschijnlijk doorbroken, nu daarbij een tijdsspanne verstrijkt tussen de totstandkoming van de rechtshandeling en haar werking.5 De verklaring voor dit uiteenvallen van totstandkoming en de rechtsgevolgen van de rechtshandeling heeft in de loop der tijd dan ook voor veel hoofdbrekens gezorgd.
Lange tijd werd ter overbrugging van deze schijnbaar onmogelijke tijdsspanne aangenomen dat er in werkelijkheid helemaal geen sprake was van een dergelijke scheiding in tijd. Door middel van de door Bartolus op gang gebrachte leer van de terugwerkende kracht werd aangenomen dat de vervulling van de voorwaarde terugwerkte tot het moment waarop de voor de rechtshandeling noodzakelijke handelingen waren verricht.6 Daarmee is achteraf bezien het simultaneïteitsdogma volstrekt gewaarborgd. Met name in de negentiende eeuw is men deze verklaring aan de hand van de terugwerkende kracht echter met steeds meer scepsis gaan benaderen. Naast het feit dat voor deze constructie geen steun zou zijn te vinden in de bronnen van het Romeinse recht werd met name bezwaar gemaakt tegen het fictionele karakter van deze verklaringswijze.7 In werkelijkheid wordt hiermee bovendien überhaupt geen verklaring gegeven, maar enkel het probleem verplaatst naar een andere vraag, namelijk waarom vervulling van de voorwaarde terugwerkende kracht heeft.8
Gangbaar werd dan ook een tweede benadering, waarin de gebondenheid van partijen gedurende de periode van onzekerheid voorop werd gesteld en enkel werd uitgegaan van een opgeschorte werking van de rechtsgevolgen.9 Daarmee werd het simultaneïteitsdogma in zekere zin verlaten, omdat werd aanvaard dat tussen de totstandkoming van een rechtshandeling en haar rechtsgevolgen een ‘leerer Zwischenraum’ kon bestaan.10 Ter verklaring van deze mogelijkheid wordt in deze benadering beslissend gewicht toegekend aan de wil van partijen.11 Als uitgangspunt leidt de totstandkoming van een rechtshandeling terstond tot de daarmee beoogde rechtsgevolgen, maar aangezien de totstandkoming van de rechtshandeling berust op de partijautonomie, kunnen partijen door middel van een voorwaarde ook de rechtsgevolgen insnoeren, in die zin dat de werking van de rechtshandeling pas later aanvang neemt.12 Zo beschouwd leidt het verbinden van een voorwaarde aan een rechtshandeling tot een uitzondering op het simultaneïteitsdogma, die gebaseerd wordt op de door de wet toegelaten contractsvrijheid, die het mogelijk maakt een voorwaarde aan een rechtshandeling te verbinden.13
In deze benadering is de rechtspositie van partijen gedurende de periode van onzekerheid daarentegen minder eenvoudig te verklaren. Wanneer men uitgaat van de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde geldt dat in veel mindere mate, omdat achteraf gefingeerd wordt dat er helemaal geen periode van onzekerheid heeft bestaan. Het verwondert dan ook niet dat de leer die aanknoopt bij de wilsgebondenheid en de opgeschorte werking in eerste instantie nog uitging van een verklaring die sterk aanleunt tegen het terugwerkingsdogma: vervulling van de voorwaarde heeft weliswaar geen tergwerkende kracht (Rückwirkung), maar wel een Rückziehung tot gevolg.14 Uiteindelijk is men echter geheel losgekomen van het terugwerkingsdogma en heeft zich een ander begrip doorgezet ter verklaring van met name de positie van de opschortend voorwaardelijk gerechtigde, namelijk de zogenoemde Vorwirkung; een begrip dat werd gemunt door Fitting.15 Dit stelsel, waarin wordt uitgegaan van het terstond tot stand komen van de voorwaardelijke rechtshandeling met een uitgestelde werking gecombineerd met een zekere Vorwirkung, ligt zowel ten grondslag aan het Duitse recht (§ 158 BGB) alsook aan het Nederlandse recht (art. 6:22 BW).16