Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.4.2
3.4.2 Reflectie op de regel
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686232:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld in de lagere rechtspraak: Rb. Gelderland 9 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5770 en Rb. Midden-Nederland 2 maart 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:823.
Dat is bijvoorbeeld het geval indien een beroep op verrekening wordt gedaan of indien een opschortingsrecht wordt gebruik om op die wijze als dwangcrediteur af te dwingen dat betaling plaatsvindt.
Zie Rb. Almelo 30 juli 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BX3143 voor een uitspraak waarin onder verwijzing naar het Nebula-arrest een beroep op de gelijkheidsregel is gehonoreerd. In appel oordeelt het Hof Arnhem, 6 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0345, vervolgens “dat de onderhavige zaak in relevante mate afwijkt van de zaak die aan de orde was in het Nebula-arrest” waarna vernietiging van het vonnis in eerste aanleg volgt.
HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:995 (Houtman q.q./Rabobank). Zie voor een voorbeeld waarin het Hof zich buigt over de vraag of de gelijkheidsregel moet worden toegepast: Hof Den Bosch, 17 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4262.
De gelijkheidsregel geeft een materiële invulling aan het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers, met name door te bepalen of een schuldeiser zich terecht niet aansluit bij de groep van schuldeisers die hun vorderingen ex artikel 26 Fw ter verificatie indienen. Deze gelijkheidsregel strekt er hierbij toe een voorkeursbehandeling te voorkomen. In rechte kan een beslissing rechtstreeks worden gegrond op de gelijkheidsregel.1 De reikwijdte van de gelijkheidsregel is, anders dan de paritas creditorum, niet beperkt tot de concurrente schuldeisers. De gelijkheidsregel geldt (voornamelijk) in de beheerfase. Met name zodra een wettelijke bepaling een feitelijk voorrangsrecht laat ontstaan,2 dient kritisch te worden bekeken of geen beroep op de door de Hoge Raad geformuleerde gelijkheidsregel mogelijk is. Dit zal overigens niet snel het geval zijn. Aan deze noodrem wordt door de Hoge Raad uitsluitend getrokken in zeer uitzonderlijke gevallen.
De gelijkheidsregel is in ieder van geval van toepassing, indien zich een casus aandient die identiek is aan een door de Hoge Raad berecht geval zoals hiervoor besproken. Er is dan geen sprake van een (vrijblijvend) perspectief, maar van een dwingend door de Hoge Raad geformuleerde regel. Het beroep op deze regel dient dan ook te worden gegrond op een rechtstreekse verwijzing naar het betreffende arrest. Doorgaans verschillen casusposities evenwel van elkaar. Hoe meer kan worden beargumenteerd dat een casuspositie overeenkomt met een situatie waarin de Hoge Raad de gelijkheidsregel heeft toegepast, hoe meer een beroep op de gelijkheidsregel kans van slagen heeft.3 Ter illustratie wijs ik op het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019.4 Daarin was een bodemverhuurconstructie toegepast. Bij deze constructie huurt de pandhouder bedrijfsruimte van zijn schuldenaar teneinde zijn stil pandrecht op de roerende zaken van de schuldenaar die zich in die bedrijfsruimte bevinden, te kunnen omzetten in een vuistpand, zonder dat hem het bodemrecht van de fiscus kan worden tegengeworpen. De Hoge Raad bepaalde in die zaak: “Gelet op de hiervoor in 3.1.3 genoemde karakteristieken van de bodemverhuurconstructie vormt de mogelijkheid voor de pandhouder om op grond van art. 53 lid 1 Fw de uit de overeenkomst verschuldigde huur te verrekenen met zijn openstaande vordering waarvoor het pandrecht door hem is bedongen, geen onaanvaardbare doorbreking van de gelijkheid van de schuldeisers als bedoeld in het arrest Tiethoff q.q./NMB. Het gaat om verhuur voor de in de regel slechts korte tijd die is gemoeid met het bereiken van het doel daarvan, die op korte termijn kan worden beëindigd. Het doel van de huur als onderdeel van de bodemverhuurconstructie is bovendien de uitoefening van het zekerheidsrecht mogelijk te maken, waarop de pandhouder jegens de schuldenaar en de andere schuldeisers aanspraak kan maken. Dit geval verschilt dan ook op meerdere punten wezenlijk van het geval waarop het arrest Tiethoff q.q./NMB betrekking heeft.” Het beroep op de gelijkheidsregel slaagt derhalve in dit geval niet nu de onderliggende casuspositie te veel verschilt met de situatie die aan de orde is geweest in het (hiervoor besproken) arrest Tiethoff q.q./NMB.