Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/834
Witwassen van geldbedragen, begaan door rechtspersoon (art. 420bis lid 1 sub b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten over criminele herkomst van geldbedragen en wetenschap van verdachte. 2. Bewijsklacht. Heeft hof bewijsmiddelen gebruikt die niet redengevend zijn voor bewezenverklaring? 3. Bewijsklacht ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte € 49.000 en € 61.500 heeft witgewassen, nu uit bewijsmiddelen niet blijkt dat deze door verdachte aan medeverdachte uitgeleende geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en door medeverdachte geldbedragen van € 25.188,16 en € 15.900 contant zijn afgelost? Ad 1. en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. Ad 3. Uit bewijsvoering van hof volgt dat verdachte giraal geldbedragen van € 49.000 en € 61.500 heeft uitgeleend aan medeverdachte en dat dit gebeurde in kader van door (middellijk) bestuurder van verdachte ‘(bewust opgezette) financiële constructie waarbij schijn werd gewekt van leningen door verschillende valide geldverstrekkers en waarbij het bedoeling was dat [middellijk bestuurder] zelf buiten beeld zou blijven’ en ‘telkens omvangrijke van misdrijf afkomstige contante geldbedragen giraal werden gemaakt’. Uit bewijsvoering volgt dat medeverdachte van deze giraal aan hem uitgeleende geldbedragen respectievelijk € 25.188,16 en € 15.900 contant heeft afgelost en dat deze contante geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Voorgaande brengt mee dat bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd als en v.zv. deze zo moet worden begrepen dat verdachte volledige geldbedragen van € 49.000 en € 61.500 al contant had terugontvangen. Ook als bewezenverklaring in zoverre verbeterd zou moeten worden gelezen, worden aard en ernst van wat verder is bewezenverklaard (gelet op de door hof vastgestelde context van bewezenverklaard handelen en door verdachte al daadwerkelijk contant ontvangen bedragen) niet aangetast, terwijl ook kwalificatie van bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/835, RvdW 2025/836 en RvdW 2025/837.
HR 24-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:948
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 juni 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T.B. Trotman, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/02283
- Conclusie
A-G mr. A.E. Harteveld
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:948, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:263, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Essentie
Witwassen van geldbedragen, begaan door rechtspersoon (art. 420bis lid 1 sub b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten over criminele herkomst van geldbedragen en wetenschap van verdachte. 2. Bewijsklacht. Heeft hof bewijsmiddelen gebruikt die niet redengevend zijn voor bewezenverklaring? 3. Bewijsklacht ‘afkomstig uit enig misdrijf’. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte € 49.000 en € 61.500 heeft witgewassen, nu uit bewijsmiddelen niet blijkt dat deze door verdachte aan medeverdachte uitgeleende geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en door medeverdachte geldbedragen van € 25.188,16 en € 15.900 contant zijn afgelost? Ad 1. en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.