RvdW 2025/852:Aanwezig hebben van 7,3 gram hennep, art. 3 onder B Opiumwet. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 427 lid 2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. CAG: Aan verdachte is overtredingsvariant van art. 3 onder B Opiumwet ten laste gelegd. In tll. ontbreekt immers bestanddeel ‘opzettelijk’. Hof heeft bewezenverklaarde echter gekwalificeerd als misdrijfvariant van dit art., zoals strafbaar gesteld in art. 11 lid 2 Opiumwet. Die kwalificatie moet, gelet op inhoud van tll. en bewezenverklaring, worden beschouwd als kennelijke misslag. ’s Hofs arrest dient dan ook te worden aangemerkt als uitspraak betreffende overtreding a.b.i. art. 427 lid 2 Sv. Aangezien hof geen hogere straf heeft opgelegd dan (geheel voorwaardelijke) geldboete van € 250 staat o.g.v. art. 427 lid 2 sub b Sv tegen arrest geen beroep in cassatie open. Verdachte kan dan ook niet worden ontvangen in het namens hem ingestelde beroep. Dat arrest ook uitspraak op tul vordering bevat maakt dit niet anders, omdat dergelijke beslissing buiten beschouwing blijft bij beantwoording van vraag of beroep in cassatie openstaat. Verdachte n-o.