Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14.7
9.4.14.7 EU-recht
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940616:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 27 januari 2022, nr. C-788/19, V-N 2022/9.14, r.o. 58-62.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 en paragraaf 12.3.4.2.
HvJ EU 8 mei 2019, nr. C-712/17, V-N 2019/24.9. Naast het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel ging het om het beginsel van neutraliteit van de BTW, zie r.o. 37-45. Het Nederlandse boetestelsel kent overigens geen boete die, zoals de Italiaanse boete uit de berechte casus, als grondslag (louter) de ten onrechte in aftrek gebrachte omzetbelasting heeft (zie ook de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws).
Zie ook paragraaf 9.4.15 hierna (slot).
Zie paragraaf 9.4.14.6.
Art. 8:69 lid 2 Awb, waarover nader paragraaf 7.3.10.3.2 en paragraaf 15.5.2.
Onder omstandigheden kan het EU-recht zelfstandig verhinderen dat een boete kan worden opgelegd (of bewerkstelligen dat de boete moet worden verlaagd). Uiteraard moet er dan wel sprake zijn van een situatie waarin de Unierechtelijke verkeersvrijheden gelden1 of van de uitvoering van het EU-recht, hetgeen bijvoorbeeld het geval is wanneer de inspecteur een boete oplegt die samenhangt met de omzetbelasting.2 In een Italiaanse zaak waarin er sprake was geweest van fictieve aan- en verkooptransacties, oordeelde het HvJ EU dat het niet in strijd met het EU-recht is om enerzijds de vooraftrek te weigeren en anderzijds wél de in rekening gebrachte omzetbelasting (die op de facturen was vermeld) te heffen. In de betreffende casus was er echter geen sprake geweest van enige benadeling van de Belastingdienst: er was in materiële zin ten onrechte omzetbelasting in rekening gebracht en voldaan aan de Belastingdienst, en diezelfde omzetbelasting was vervolgens – ook weer ten onrechte – afgetrokken. Per saldo was het resultaat voor de schatkist dus neutraal en er was ook geen gevaar voor verlies aan belastinginkomsten geweest. Om die reden kwam het opleggen van een boete ter hoogte van 100 % van de ten onrechte in aftrek gebrachte omzetbelasting volgens het HvJ EU in strijd met het EU-recht (onder meer met het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel).3
Naar mijn mening moet de rechter in gevallen waarin de boete samenhangt met de uitvoering van het EU-recht, ambtshalve toetsen of de boeteoplegging in strijd komt met het EU-recht.4 Net als bij de hiervoor behandelde beginselen uit het supranationale recht,5 gaat het bij de (eventuele) strijdigheid met het EU-recht immers in wezen om de (on)verbindendheid van de beboetbare bepaling als zodanig. Het recht behoeft geen bewijs, ook niet als dat (in dit geval: hogere) recht het nationale recht terzijde stelt. De rechter heeft bovendien de wettelijke opdracht om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen.6