Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14.3
9.4.14.3 Mededelingsvereiste
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940561:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 12.2.
Vgl. HR 28 november 2003, BNB 2004/79, waarin de Hoge Raad casseerde omdat het Hof in feite een omgekeerde bewijslast had aangenomen.
Zie ook paragraaf 9.4.14.4 hierna.
Aldus ook: Feteris 2002, p. 224.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 224. Zie ook paragraaf 9.3.3: het bewijs van de verzending rechtvaardigt op zichzelf een vermoeden van ontvangst door de boeteling, maar eventuele twijfel moet in de sfeer van de boete in het voordeel van de boeteling werken.
Vgl. in dit verband de bewijslast bij ontvankelijkheidsvraagstukken (zie paragraaf 15.4.3).
Vgl. Rb Den Haag 8 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7191. Zie omtrent de Berichtenbox nader paragraaf 9.3.3.2.1.
Feteris 2002, p. 280.
HR 20 december 1989, BNB 1990/102, nadien diverse keren bevestigd in bijvoorbeeld HR 21 oktober 1992, BNB 1993/8 en HR 10 maart 1993, BNB 1993/164, maar ook later in HR 28 november 2003, BNB 2004/79.
HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 4.3, waarover nader in paragraaf 12.2.6.2. De inspecteur wilde art. 10a van de Wet Vpb in plaats van fraus legis ten grondslag leggen aan de correctie.
Zie ook de voor het arrest genomen Conclusie van A-G IJzerman van 31 januari 2018, V-N 2018/11.5.
HR 23 maart 2018, V-N 2018/16.6. Het is overigens wel de vraag of dit had gekund, nu de inspecteur het hoger beroep had ingetrokken en het in cassatie alleen ging om de vraag of de boeteling wel of niet incidenteel hoger beroep had ingesteld. Interessant is dus dat de inspecteur eieren voor zijn geld had gekozen, vermoedelijk omdat hij het door het Hof verlangde bewijs van de mededelingen niet kon leveren en voorzag dat het Hof de boetes daarom zou vernietigen. Kennelijk durfde hij het evenmin aan om dat oordeel in cassatie te laten toetsen.
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 21 december 2018, V-N 2019/27.5, r.o. 4.11-4.12, Rb Zeeland-West-Brabant 5 december 2018, V-N 2019/27.2.8, r.o. 2.17-2.19 (het hoger beroep werd later ingetrokken, zie Hof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2020, V-N 2020/22.19.36), Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2020, V-N 2020/40.8, r.o. 4.4-4.6 en Hof ’s-Hertogenbosch 16 maart 2022, V-N 2022/33.15, r.o. 4.9. Zie over deze aanpak in de lagere rechtspraak voorts reeds Feteris 2002, p. 224 (noot 117).
Het mededelingsvereiste (ook wel aangeduid als de mededelingsplicht) houdt in, dat de boeteling onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van een tegen hem ingebrachte beschuldiging, zoals een fiscale bestuurlijke boete. Schending van de mededelingsplicht kan fataal zijn.1 Overeenkomstig de reguliere regels van bewijslastverdeling ligt het primair op de weg van de boeteling om te stellen dat de inspecteur het mededelingsvereiste heeft geschonden. Er is immers sprake van een boeteverlagende component.2
Veel meer dan een stelplicht zou ik echter niet willen aannemen. Het object van de mededeling betreft immers de centrale stellingen, ter zake waarvan de bewijslast per definitie op de inspecteur rust. Het recht om zich behoorlijk te kunnen verdedigen zou worden gefrustreerd als de boeteling door het schenden van de mededelingsplicht eerst op achterstand is gezet, en vervolgens zou worden belast met het bewijs van die schending. Daarmee zou een onaanvaardbare inbreuk op de fair hearing kunnen worden gemaakt. De fundamentele waarborgen van de fair hearing moet worden gegarandeerd door het nationale procesrecht en dus worden bewaakt door de nationale rechter.3 De inspecteur is bovendien de meest gerede partij om bewijs aan te dragen van de tijdigheid en volledigheid van de door hemzelf gedane mededeling.4 De subregels van bewijslastverdeling leiden zodoende effectief tot toedeling van de bewijslast aan de inspecteur. Behalve bij inhoudelijke tekortkomingen (die de aard van de mededeling betreffen), meen ik dat ook als het gaat om de verzending of ontvangst van de vereiste mededeling, het bewijsrisico op de inspecteur moet rusten.5 Dat betekent dat wanneer de boeteling stelt dat hij nimmer een mededeling heeft ontvangen, terwijl de inspecteur beweert dat hij deze per post heeft verzonden, de bewijslast voor de verzending en (effectief) voor de ontvangst op de inspecteur rust.6 Vertaald naar de digitale berichtenomgeving van MijnOverheid en de Berichtenbox, doet de inspecteur er dus verstandig aan om ten minste een elektronische ontvangstbevestiging te vergaren, ten bewijze dat de mededeling in de Berichtenbox van de boeteling is afgeleverd.7
Wat betreft de rechterlijke toetsing van de mededelingsplicht heeft Feteris een variant op de zelfstandige onderzoeksplicht gesuggereerd.8 De rechter moet volgens Feteris nader onderzoek doen indien uit het aanwezige dossier niet blijkt dat er tijdig een adequate mededeling is gedaan. De Hoge Raad heeft deze ambtshalve toetsing echter afgewezen en bepaald dat de boeteling moet stellen dat de mededelingsplicht is geschonden.9 Daar staat tegenover dat de Hoge Raad in één van de Credit Suisse-zaken, waarin de inspecteur zich pas in hoger beroep op een gewijzigde rechtsgrond voor de grondslag van de boete had beroepen, het ambtshalve gegeven Hofoordeel dat zulks ontoelaatbaar is, in stand liet.10 In een ander geval had het Hof ter zitting het ontbreken van boetemededelingen in het dossier aan de orde gesteld, de inspecteur gewezen op de ultieme consequentie daarvan (vernietiging van de boetes) en hem vervolgens in staat gesteld om bewijs te leveren door de ontbrekende mededelingen alsnog te overleggen.11 Hoewel de Hoge Raad daartoe in cassatie niet rechtstreeks was geroepen, greep hij ook niet ambtshalve in.12 Dit kunnen aanwijzingen zijn voor een gewijzigde opvatting op dit punt: mogelijk zal de Hoge Raad in voorkomend geval toestaan dat de rechter ambtshalve toetst. In de lagere rechtspraak komt een dergelijke ambtshalve toetsing vaker voor.13