Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.13.5
5.13.5 Betekening aan een gekozen woonplaats
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS375852:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 februari 1996, NJ 1997, 26, Nieuwersteeg/Colonia.
Advies Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht bij de EG-Betekeningsverordening, 12 april 2001 (te raadplegen op http://www.justitie.nl), onder K. De Staatscommissie heeft het mogelijk geacht dat bij een vrijwillig en uitdrukkelijk gekozen woonplaats de toepassing van de EG-Betekeningsverordening achterwege kan blijven. De EG-Betekeningsverordening zegt niets over de betekening aan de gekozen woonplaats. De verordening bepaalt slechts dat indien stukken in een andere lidstaat betekend moeten worden, de betekening conform de verordening dient te geschieden. Wordt een gerechtelijk stuk aan de gekozen woonplaats in het binnenland betekend, dan zou gesteld kunnen worden, dat de toepassing van de verordening achterwege kan blijven, omdat geen betekening in het buitenland behoeft plaats te vinden.
Art. 63 lid 2 Rv bepaalt dat aan een in verband met de executie ingevolge een wettelijk voorschrift gekozen woonplaats alle exploten kunnen worden uitgebracht.
Bij de betekening van een gerechtelijk stuk aan een gekozen woonplaats zou een onderscheid tussen de vrijwillig en onvrijwillig gekozen woonplaats kunnen worden gemaakt. In het geval van art. 63 Rv is sprake van een door de wet aan een verplicht gekozen woonplaats toegekend rechtsgevolg. Ingevolge art. 111 lid 2 sub a Rv moet de eiser in de gemeente waar de rechter zitting houdt, een woonplaats kiezen. Meestal is dit het adres van de advocaat en/of procureur die de eiser vertegenwoordigt. Eveneens in art. 439 lid 3 Rv is sprake van een gekozen woonplaats in het executie-exploot. Op basis van art. 63 lid 1 Rv is het mogelijk om aan het gekozen adres het exploot van de dagvaarding te betekenen waarbij verzet, hoger beroep of cassatie wordt ingesteld. Op basis van het tweede lid van deze bepaling kunnen aan de in verband met de executie gekozen woonplaats alle exploten worden gedaan. De advocaat en/of procureur bevordert dan dat het exploot de geadresseerde tijdig bereikt.
In de praktijk komt het echter ook voor dat partijen in een contract naast de gebruikelijke rechtskeuze- en forumkeuzeclausule een clausule opnemen waarbij zij een domicilie kiezen voor de betekening van de stukken in het kader van een eventueel tussen partijen te rijzen geschil. Door een dergelijke woonplaatskeuze in Nederland kan verdedigd worden dat de EG-Betekeningsverordening niet van toepassing is. Er is dan immers - voor de betekening - sprake van een nationale situatie. Onder het Haags Betekeningsverdrag heeft de Hoge Raad in een dergelijk geval de betekening aan de gekozen woonplaats rechtsgeldig geacht.1 Of een dergelijke gang van zaken ook onder de EG-Betekeningsverordening toelaatbaar is, is een vraag van interpretatie van de verordening. De Staatscommissie is van mening dat de betekening van gerechtelijke stukken aan een gekozen woonplaats niet zonder meer toegestaan moet worden. Een partij met woonplaats in een lidstaat moet de bescherming van de EG-Betekeningsverordening blijven genieten.2
In navolging hiervan rijst de vraag of bij de domiciliekeuze in een executie-exploot ook niet sprake is van een vrijwillig gedane domiciliekeuze. Een executant met een woonplaats in een andere lidstaat begeeft zich door de tenuitvoerlegging in de rechtssfeer van Nederland en het is in zijn belang dat hij op een snelle wijze bereikbaar is. Hiertegen kan echter worden aangevoerd dat er na de voltooiing van de executie geen banden meer aanwezig zijn met de gekozen woonplaats. De woonplaats-keuze is tevens wettelijk verplicht. Wordt in een executie-exploot geen woonplaats gekozen, dan is het exploot nietig (vgl. art. 439 lid 3 Rv). In geval van een executiegeschil wordt door de betekening aan de gekozen woonplaats de executant - de verweerder in het executiegeschil - onvrijwillig de bescherming van de EG-Betekeningsverordening ontnomen. Deze bescherming dient de executant mijns inziens ook te behouden in het geval dat het executiegeschil vóór of tijdens de executie wordt ingesteld. De EG-Betekeningsverordening kan niet door de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opzij worden gezet. Dit leidt ertoe dat van art. 63 lid 2 Rv geen gebruik kan worden gemaakt3, hetgeen mijns inziens, zoals hierboven aangegeven, voortvloeit uit art. 56 lid 3 Rv, gelezen in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003.