Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/1026
Bedreiging met terroristisch misdrijf. Het is niet van belang of degenen tegen wie het terroristisch misdrijf zou worden gepleegd met deze bedreiging bekend zijn geworden en of het opzet van de verdachte ook op dit bekend worden was gericht.
HR 22-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1508
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
22/04148
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1508, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:781, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑05‑2023
- Wetingang
Essentie
Bedreiging met een terroristisch misdrijf door in een penitentiaire inrichting tegen twee personen verschillende malen te zeggen dat de verdachte naar de Dam zou gaan en iedereen met een AK-47 zou doodschieten. Voor bewezenverklaring van deze bedreiging is niet vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat degenen die zijn bedreigd op de hoogte zijn geraakt van deze bedreiging en evenmin dat uit de bewijsvoering blijkt dat het opzet van de verdachte erop was gericht dat die personen kennis zouden krijgen van de bedreiging.
Samenvatting
Artikel 285 lid 3 Sr stelt de eis dat wordt gedreigd met ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.