Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/151
Medeplichtigheid aan medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 3.248.865) door met auto vooruit te rijden en omgeving te verkennen, art. 420bis lid 1 onder b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht gronddelict (witwassen). 2. Bewijsklacht medeplichtigheid. Blijkt voor medeplichtigheid vereist (voorwaardelijk) opzet op het door dader gepleegde misdrijf uit bewijsmiddelen? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Uit ’s hofs bewijsvoering kan weliswaar worden afgeleid dat medeverdachte samen met ander € 3.248.865 heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, maar niet z.m. dat zij wisten dat geldbedrag (onmiddellijk of middellijk) geheel of gedeeltelijk (mede) afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl dit als bestanddeel van gronddelict witwassen is bewezenverklaard. Verdachte heeft op dit punt echter geen belang bij cassatie. Blijkens p-v van tz. in hoger beroep is vonnis in zaak tegen medeverdachte bij stukken gevoegd, terwijl uit dit vonnis volgt dat hij is veroordeeld wegens medeplegen witwassen van € 3.248.865. Veroordelend vonnis kan dienen als wettig b.m. in vorm van schriftelijk bescheid a.b.i. art. 344 lid 1 onder 1 Sv. Dit vergt dan wel dat hof bij beantwoording van vragen van art. 350 Sv zelfstandig nagaat of hij inhoud van dit vonnis ook redengevend acht in de door hem te beoordelen zaak, maar er kan eigenlijk geen twijfel over bestaan dat hij zich samen met ander schuldig heeft gemaakt aan medeplegen witwassen. Dit is ttz. door verdediging ook niet betwist. Ad 2. Hof is van oordeel dat opzet van verdachte op gronddelict (witwassen) voortvloeit uit hetgeen in zijn bewijsoverwegingen is vastgesteld en overwogen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Uit de in ’s hofs bewijsoverwegingen o.g.v. b.m. genoemde omstandigheden kan worden afgeleid dat verdachte betrokken was bij geldoverdracht door medeverdachte, dat hij wist dat het om zeer groot geldbedrag ging en dat hij ook wist waarmee medeverdachte bezig was. Zo vond verdachte ‘eng bedrag’ normaal en bevestigt hij dat met geldoverdracht ‘hij nu klaar is’. Daarbij komt dat omstandigheden van deze geldoverdracht een sterke aanwijzing opleveren voor criminele herkomst van geldbedrag en door verdediging niets is aangevoerd om dit bewijsvermoeden te weerleggen. Volgt verwerping.
HR 16-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1932
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 december 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Posthumus
- Zaaknummer
23/01814
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1932, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:1150, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Essentie
Medeplichtigheid aan medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 3.248.865) door met auto vooruit te rijden en omgeving te verkennen, art. 420bis lid 1 onder b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht gronddelict (witwassen). 2. Bewijsklacht medeplichtigheid. Blijkt voor medeplichtigheid vereist (voorwaardelijk) opzet op het door dader gepleegde misdrijf uit bewijsmiddelen? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Uit ’s hofs bewijsvoering kan weliswaar worden afgeleid dat medeverdachte samen met ander € 3.248.865 heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, maar niet z.m. dat zij wisten dat geldbedrag (onmiddellijk of middellijk) geheel of gedeeltelijk ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.