Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/165
Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. verkoop van harddrugs, art. 2 onder B Opiumwet. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e lid 1 onder b lid 2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b.? Als niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in BRP maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e lid 1 onder b en lid 2 Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken). Onbekendheid met feitelijke woon- of verblijfplaats kan o.m. niet worden aangenomen als niet is geprobeerd uitreiking van dagvaarding te doen plaatsvinden op adres dat uit stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om adres dat verdachte in akte van h.b. heeft doen opnemen waaraan mededelingen over strafzaak kunnen worden toegezonden a.b.i. art. 36g lid 1 onder c Sv. Dit adres moet niet door latere opgave zijn achterhaald (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken). Zo’n adres dat in akte van h.b. is opgenomen, kan als achterhaald worden aangemerkt als het gaat om adres dat op moment dat die akte werd opgemaakt BRP-adres van verdachte betrof, terwijl daarna (maar voor moment van uitreiking van dagvaarding) verdachte is uitgeschreven uit BRP. A.g.v. die uitschrijving wordt dat adres niet langer aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte (vgl. HR 27 september 2011, NJ 2011/457). Uit stukken moet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van betekenen van dagvaarding niet was gedetineerd en dat van hem adres uit stukken blijkt, dat voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, namelijk in schriftelijke bijzondere volmacht genoemd ‘verblijfadres’ van verdachte. Dit adres betrof weliswaar voorheen BRP-adres van verdachte maar verdachte is uitgeschreven uit BRP voordat akte van h.b. beroep werd opgemaakt. Daarom heeft die uitschrijving niet tot gevolg dat dit adres niet langer kan worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte. Uit stukken volgt niet dat is geprobeerd dagvaarding uit te reiken aan dat adres. ’s Hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend is daarom, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet begrijpelijk. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig. CAG (strekking): nietigverklaring van dagvaarding in h.b.
HR 16-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1821
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 december 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, C.N. Dalebout, F. Damsteegt
- Zaaknummer
24/00351
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1821, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:1078, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑10‑2025
Essentie
Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. verkoop van harddrugs, art. 2 onder B Opiumwet. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e lid 1 onder b lid 2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b.? Als niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in BRP maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e lid 1 onder b en lid 2 Sv op ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.