Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/143
Door de gedragingen van verdachte kon bij aangever in redelijkheid de vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
HR 16-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1938
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 december 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, T.B. Trotman
- Zaaknummer
24/00859
- Conclusie
A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1938, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:1222, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑07‑2024
- Wetingang
Art. 285 Sr
Essentie
Het hof kon oordelen dat door de gedragingen van verdachte bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Samenvatting
Voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling, is vereist dat door de bedreiging bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, NJ 2005/448) en dat het (voorwaardelijk) opzet van de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.