Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/142
Art. 2 lid 1 tot en met 3 Wet toezicht trustkantoren is niet onverenigbaar met art. 56 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
HR 16-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1877
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 december 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/00572
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Fiscaal strafrecht (V)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1877, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:684, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑06‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑02‑2024
- Wetingang
Art. 56 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Richtlijn 2005/60/EG (Derde anti-witwasrichtlijn); art. 2 (oud) Wet toezicht trustkantoren
Essentie
Art. 2 lid 1 tot en met 3 Wet toezicht trustkantoren is niet onverenigbaar met art. 56 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Samenvatting
Art. 2lid 1 tot en met 3Wet toezicht trustkantoren (Wtt) (oud) strekt ertoe dat voor de werkzaamheden en dienstverlening door een trustkantoor in of naar Nederland telkens — dat wil zeggen: ongeacht waar de zetel van het trustkantoor zich bevindt — een vergunning van de toezichthouder is vereist. Dat is anders als het gaat om trustkantoren met een zetel in een door de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.