RvdW 2026/166:Langdurig seksueel misbruik van 8-jarige/11-jarige (stief)kleindochter door (stief)opa, art. 244 (oud) jo. art. 248 lid 2 (oud) Sr en art. 249 lid 1 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Redengevendheid voor bewijs van getuigenverklaring. Is onderdeel van getuigenverklaring redengevend voor bewezenverklaring, nu hieruit volgt dat aangeefster in verleden ontkennend heeft geantwoord op vraag van getuige of zij weleens werd betast door verdachte? 2. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat wijze waarop ‘disclosure’ tot stand is gekomen steunbewijs vormt voor aangifte. Eerder vermoeden van getuige en aanvankelijke ontkenning van aangeefster tegenover haar plaatst hof expliciet in deze context. Hoewel dergelijke ontkenning op zichzelf niet redengevend is voor bewezenverklaring, maakt aanvankelijke ontkenning van aangeefster tegenover getuige i.h.k.v. de door hof voor bewijs gebruikte wijze van ‘disclosure’ dat gehele voor bewijs gebruikte verklaring van getuige feiten en omstandigheden bevat die redengevend zijn voor bewezenverklaring van feiten. Ad 2. Verklaring van aangeefster vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking genomen dat verklaring van aangeefster ook op concrete en specifieke punten bevestiging vindt in andere b.m. Voor bewijs gebruikte verklaring van getuige ondersteunt verklaringen van aangeefster immers op onderdeel dat wezenlijke en specifieke omstandigheid van bewezenverklaarde gedragingen betreft, te weten ervaren pijn bij seksuele handelingen door lange en sterke nagels van verdachte. Van schending van art. 342 lid 2 Sv is dan ook geen sprake. ’s Hofs oordeel getuigt daarmee niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Volgt verwerping.