Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1.1
3.5.1.1 Goldwater v. Carter (1979)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233600:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 13 december 1979, 444 U.S. 996 (Goldwater v. Carter).
Idem, p. 1002-1003 (Rehnquist, J., concurring).
U.S. Supreme Court 5 juni 1939, 307 U.S. 433 (Coleman v. Miller).
U.S. Supreme Court 13 december 1979, 444 U.S. 996 (Goldwater v. Carter), 1006-1007 (Brennan, J., dissenting).
Idem, p. 1007.
Zie paragraaf 2.3.1.
Tribe 2000, p. 377, acht de redenering van Brennan overigens overtuigend.
Toch zou het Hof in Goldwater v. Carter uiteindelijk van een inhoudelijke beoordeling afzien. Een vijfde lid meende dat het geschil niet ripe was om te worden beslecht, nu nog niet was gebleken van een daadwerkelijke impasse tussen het Congres en de President. Daartoe wees hij erop dat de betrokken senatoren een motie hadden voorbereid die de opzegging van het verdrag zonder goedkeuring van de Senaat afkeurde. Deze motie was nog niet aan de voltallige Senaat voorgelegd en in stemming gebracht. Ditzelfde lid sloot zich echter uitdrukkelijk aan bij de opvatting Brennan dat in dit geval geen political question aan de orde was. Zie U.S. Supreme Court 13 december 1979, 444 U.S. 996 (Goldwater v. Carter), 1000-1002 (Powell, J., concurring). Vgl. ook Powell 1981; Koh 2018, over de vraag of de President verdragen zonder goedkeuring van de Senaat kan opzeggen. Volgens laatstgenoemde auteur wordt Goldwater v. Carter ten onrechte beschouwd als een bevestiging dat de President dit kan doen. Zie over de verhouding tussen ripeness en de political question-doctrine paragraaf 5.4 hierna.
De eerste zaak waaruit de zojuist bedoelde terughoudendheid blijkt, is Goldwater v. Carter.1 Daarin staat het opzeggen van een veiligheidsverdrag tussen China en de Verenigde Staten door President Carter centraal. Dit verdrag voorzag in de bescherming van Taiwan tegen een Chinese invasie. Sommige senatoren meenden dat President Carter de Senaat ten onrechte niet over de opzegging van dit verdrag had geraadpleegd. Daarbij wezen zij op artikel II, § 2, van de Amerikaanse Grondwet, waarin onder meer is bepaald dat de President verdragen kan sluiten met goedkeuring van de Senaat:
‘The President […] shall have power, by and with the advice and consent of the Senate, to make treaties, provided two thirds of the Senators present concur.’
De senatoren betoogden dat eenzelfde verplichting om de Senaat te raadplegen ook moest worden aangenomen bij het opzeggen van een verdrag.
Dit betoog leidde tot een ernstig verdeeld Hof. Interessant is dat vier leden van het Hof meenden dat in dit geval sprake was van een political question. Bepalend daarvoor achtten zij dat het hier ging om een beslissing op het gebied van het buitenlands beleid met bij uitstek een politiek karakter:
‘[T]he basic question presented by the petitioners in this case is ‘political’, and therefore nonjusticiable because it involves the authority of the President in the conduct of our country’s foreign relations and the extent to which the Senate or the Congress is authorized to negate the action of the President.’2
Opvallend is dat deze leden hierbij niet uitdrukkelijk naar de Baker-factoren verwezen, laat staan daaraan toetsten. Wel verwezen zij naar de in het vorige hoofdstuk besproken zaak Coleman v. Miller over de procedure voor het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet en waarin het Hof deze procedure als een political question heeft aangemerkt.3
Minstens zo belangrijk is dat dezelfde leden geen meerderheid vormden. Het oordeel dat in dit geval sprake was van een political question werd door de overige leden van het Hof niet uitdrukkelijk onderschreven. Integendeel: Justice Brennan, min of meer de grondlegger van de moderne political questiondoctrine, nam fel stelling tegen de conclusie van deze vier leden dat sprake was van een political question. Daarbij herinnerde hij eraan dat het Hof in Baker v. Carr duidelijk had gemaakt dat de enkele omstandigheid dat een geschil raakt aan het buitenlands beleid onvoldoende is. De doctrine staat er volgens Brennan niet aan in de weg dat de rechter een oordeel geeft over de inhoud en reikwijdte van de aan de President en het Congres toegekende bevoegdheden. De doctrine raakt uitsluitend aan de vervolgvraag of een staatsmacht van een dergelijke bevoegdheid op goede gronden gebruik heeft kunnen maken:
‘In stating that this case presents a nonjusticiable ‘political question’, [the plurality], in my view, profoundly misapprehends the political-question principle as it applies to matters of foreign relations. Properly understood, the political question doctrine restrains courts from reviewing an exercise of foreign policy judgment by the coordinate political branch to which authority to make that judgment has been ‘constitutional[ly] commit[ted]’. But the doctrine does not pertain when a court is faced with the antecedent question whether a particular branch has been constitutionally designated as the repository of political decisionmaking power. The issue of decisionmaking authority must be resolved as a matter of constitutional law, not political discretion; accordingly, it falls within the competence of the courts.’4
Brennan stelde vast dat de opzegging van het verdrag verband hield met de erkenning van de Volksrepubliek China. Volgens hem is de erkenning van een buitenlandse mogendheid een bevoegdheid die uitsluitend aan de President toekomt, waarover het Congres niet hoeft te worden geraadpleegd. In het verlengde daarvan meende Brennan dat het Congres evenmin behoeft te worden betrokken bij de voorgenomen opzegging van een verdrag. Artikel II, § 2, van de Amerikaanse Grondwet deed daar volgens hem niet aan af, nu daarin uitsluitend is geregeld dat de Senaat bij het sluiten van verdragen en niet bij het opzeggen daarvan moet worden betrokken.5
Verdedigbaar is echter dat de political question-doctrine ook bij deze benadering van Brennan op de achtergrond een rol speelde. Zoals in het vorige hoofdstuk is gebleken, heeft het Hof eerder duidelijk gemaakt dat de erkenning van een buitenlandse mogendheid een political question is.6 De rechter kan zich daardoor niet inhoudelijk uitlaten over de vraag of de regering terecht een buitenlandse mogendheid heeft erkend. Door de opzegging van een verdrag te koppelen aan deze bevoegdheid om buitenlandse mogendheden te erkennen, suggereerde Brennan dat de vraag of de President een verdrag op goede gronden heeft opgezegd mogelijk wel als een political question heeft te gelden. Deze vraag raakt echter aan de uitoefening van een bevoegdheid en niet aan de daaraan voorafgaande vraag – in de hiervoor aangehaalde overweging spreekt Brennan over ‘the antecedent question’ – of een staatsmacht of staatsorgaan al dan niet een bepaalde bevoegdheid toekomt.7 Ik kom daar in hoofdstuk 4 van dit onderzoek op terug.8