Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1.3:3.5.1.3 Zivotofsky v. Clinton (2012)
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1.3
3.5.1.3 Zivotofsky v. Clinton (2012)
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233721:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot een vergelijkbaar oordeel kwam het Hof in de zaak Zivotofsky v. Clinton.1 Daarin stond de Foreign Relations Authorization Act centraal. Deze wet bevatte een bepaling die Amerikaanse staatsburgers geboren in Jeruzalem het recht gaf om in hun paspoort Israël op te laten nemen als geboorteland. Het door de Amerikaanse regering gevoerde beleid luidde anders. Dit beleid kwam erop neer dat bij de geboorte van een Amerikaans staatsburger in Jeruzalem uitsluitend die stad en niet ook Israël in het paspoort wordt opgenomen.
Zivotofsky is in 2002 in Jeruzalem geboren. Omdat zijn ouders Amerikaans staatsburger zijn, komt ook aan hem het Amerikaanse staatsburgerschap toe. Zijn ouders wensten Israël in het paspoort van hun zoon te laten registeren en dienden, onder verwijzing naar de Foreign Relations Authorization Act, een verzoek in bij de minister van Buitenlandse Zaken. Zivotofsky’s ouders kwamen vervolgens op tegen de weigering van de minister om aan dit verzoek te voldoen. De vraag was of de minister met een beroep op het regeringsbeleid het verzoek van Zivotofsky’s ouders, maar in weerwil van de wet, had mogen weigeren.2
Anders dan lagere rechters, oordeelde het Hof dat in dit geval geen political question aan de orde was. Hoewel het zich ervan bewust was dat deze zaak raakte aan het buitenlands beleid, ging het volgens het Hof daarin uitsluitend om de vraag of Zivotofsky het in de Foreign Relations Authorization Act opgenomen recht om Israël in zijn paspoort te laten opnemen kon inroepen. De political question-doctrine vormde voor de rechter geen beletsel om dit na te gaan en te beoordelen of dit recht verenigbaar is met de Amerikaanse Grondwet, meer in het bijzonder met de daarin neergelegde bevoegdheden van de President. Het aldus uitleggen en toepassen van relevante wetgeving is volgens het Hof bij uitstek de taak van de rechter en zou de rechter niet dwingen een standpunt in te nemen over het door de regering gevoerde beleid met betrekking tot Israël:
‘The existence of a statutory right, however, is certainly relevant to the Judiciary’s power to decide Zivotofsky’s claim. The federal courts are not being asked to supplant a foreign policy decision of the political branches with the courts’ own unmoored determination of what United States policy toward Jerusalem should be. Instead, Zivotofsky requests that the courts enforce a specific statutory right. To resolve his claim, the Judiciary must decide if Zivotofsky’s interpretation of the statute is correct, and whether the statute is constitutional. This is a familiar judicial exercise.’3
Anders dan lagere rechters hadden overwogen, was aan de eerste Baker-factor daarom niet voldaan. Ook de tweede factor was volgens het Hof niet aan de orde. Daartoe overwoog het dat de grondwettigheid van de Foreign Relations Authorization Act moet worden beoordeeld aan de hand van de tekst, structuur en relevante wetsgeschiedenis. Daarmee zijn wel degelijk criteria voorhanden voor een inhoudelijke beoordeling. Zonder de overige Baker-factoren na te gaan, concludeerde het Hof dat van een political question geen sprake was:
‘Resolution of Zivotofksy’s claim demands careful examination of the textual, structural, and historical evidence put forward by the parties regarding the nature of the statute and of the passport and recognition powers. This is what courts do. The political question doctrine poses no bar to judicial review of this case.’4
Drie jaar later zou het Hof de Foreign Relations Authorization Act overigens op dit punt alsnog ongrondwettig verklaren. 5Volgens het Hof vormde het daarin neergelegde recht om Israël als geboorteland in het paspoort te laten registreren een onaanvaardbare doorkruising van de exclusieve bevoegdheid van de President om buitenlandse mogendheden te erkennen.
Samenvattend volgt uit deze rechtspraak dat de political question-doctrine er niet aan in de weg staat dat de rechter nationaal en internationaal recht uitlegt en toepast, en wetgeving toetst aan de Amerikaanse Grondwet. Evenmin staat de doctrine in de weg aan een beoordeling of een staatsmacht een bepaalde bevoegdheid toekomt en of de uitoefening van die bevoegdheid een bevoegdheid van een andere staatsmacht doorkruist. Volgens het Hof is dit alles bij uitstek de taak van de rechter. De enkele omstandigheid dat het geschil raakt aan de vormgeving van het buitenlands beleid of belangrijke politieke gevolgen kan hebben, maakt dit niet anders.
Ik bespreek hierna enkele voorbeelden van andere zaken na Baker v. Carr die een en ander bevestigen.