Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1.2:3.5.1.2 Japan Whaling Association v. American Cetacean Society (1986)
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.5.1.2
3.5.1.2 Japan Whaling Association v. American Cetacean Society (1986)
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233653:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 30 juni 1986, 478 U.S. 221 (Japan Whaling Association v. American Cetacean Society).
Idem, p. 224-229.
Idem.
Idem, p. 230. ‘As Baker plainly held, the courts have the authority to construe treaties and executive agreements, and it goes without saying that interpreting congressional legislation is a recurring and accepted task for the federal courts.’
Idem, p. 230-231.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vergelijkbare terughoudendheid komt naar voren uit de zaak Japan Whaling Association v. American Cetacean Society over de internationale walvisvangst.1 Met het oog daarop zijn op internationaal niveau quota vastgesteld. De Internationale Walvisvaartcommissie was echter niet bij machte om deze quota te handhaven. Voor het Congres was dit reden om via diverse amendementen een handhavingsmechanisme op te nemen in de Fishermen’s Protective Act uit 1967. Op grond daarvan was de verantwoordelijke minister gehouden om activiteiten van een ander land die de walvisstand in gevaar konden brengen aan de President te melden, waarna de President zou overgaan tot het opleggen van sancties.2
Halverwege de jaren tachtig werd het Hof gevraagd zich over dit mechanisme uit te laten. De directe aanleiding hiervoor was gelegen in overtredingen van de quota door Japan. Anders dan in de hiervoor bedoelde amendementen was voorgeschreven, had de minister geweigerd om deze overtredingen aan de President te melden. In plaats daarvan sloot hij een overeenkomst met Japan die voorzag in een geleidelijke afname van de walvisvangst door Japan. De minister meende dat het belang van de bescherming van de walvisstand ook op deze manier voldoende werd gediend.3
Enkele belangenorganisaties konden zich hier niet mee verenigen en vroegen om een rechterlijk bevel aan de minister om de overtredingen alsnog aan de President te melden, waarna de President gehouden zou zijn sancties op te leggen aan Japan. Bij zijn beoordeling ging het Hof eerst in op de stelling van een van de betrokken partijen dat hier sprake was van een political question. Volgens het Hof was dat niet het geval. Daarbij stelde het voorop dat niet in ieder geschil dat raakt aan het buitenlands beleid sprake is van een political question. De political question-doctrine staat er niet aan in de weg dat de rechter relevante wetgeving uitlegt en toepast. Sterker nog: dit betreft bij uitstek de taak voor de rechter.4 De enkele omstandigheid dat de betrokken wetgeving nauw verband houdt met het buitenlands beleid maakt dat niet anders. Het Hof overwoog:
‘We are cognizant of the interplay between these Amendments and the conduct of this Nation’s foreign relations, and we recognize the premier role which both Congress and the Executive play in this field. But under the Constitution, one of the Judiciary’s characteristic roles is to interpret statutes, and we cannot shirk this responsibility merely because our decision may have significant political overtones. We conclude, therefore, that the present cases present a justiciable controversy, and turn to the merits of petitioners’ arguments.’5
Het Hof zou uiteindelijk oordelen dat de amendementen ruimte lieten voor de door de verantwoordelijke minister gekozen benadering.