Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.9.4
6.9.4 Te laat afgeven loonsanctiebeschikking
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS582805:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 10 april 2013 LJN BM4397 en BZ6885.
CRvB 18 november 2009, LJN BK3717.
CRvB 14 april 2010, LJN BM1179.
CRvB 23 maart 2011, LJN BP9890, bepaalt dat het UWV pas in actie hoeft te komen als de werkgever heeft gemeld dat de tekortkoming is hersteld.
Art. 25 lid 14 tweede volzin WIA, Kamerstukken II 2007/08, 31 229, nr.3, p.11 en P.S. Fluit, ArbeidsRecht 2011/27, herhaald in P.S. Fluit, ‘De loonsanctie en het tweede spoor’ in: G.C. Boot, De zieke werknemer in beweging, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014, p.42. Anders: M.J.A.C. Driessen, ‘Nogmaals de loonsanctie’, TRA 2010/82.
Ktr. Amersfoort 22 juli 2011, JAR 2011/229.
Uiterlijk zes weken voor het verstrijken van de wachttijd geeft het UWV een beschikking over de loonsanctie (artikel 25 lid 10 WIA). Is het UWV te laat en is de wachttijd verstreken zonder loonsanctiebeschikking dan mag die loonsanctie helemaal niet meer worden opgelegd (artikel 25 lid 11 WIA). Vanwege de mogelijkheid van bezwaar en beroep kunnen zich hier procedurele perikelen voordoen. Het UWV had bijvoorbeeld in één geval een administratieve loonsanctie opgelegd. Die werd na gegrondverklaring van het bezwaar van de werkgever herroepen. Vervolgens werden de re-integratie-inspanningen inhoudelijk beoordeeld en onvoldoende bevonden. De opnieuw opgelegde inhoudelijke loonsanctie dateerde echter van ná het verstrijken van de wachttijd. De CRvB vernietigde deze loonsanctie omdat die te laat was opgelegd.1
Artikel 25 lid 14 tweede zin WIA stelt een sanctie op het wel binnen de wachttijd maar te laat afgeven van een beschikking door het UWV. Het tijdvak van loondoorbetalingsverlenging eindigt dan zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven. Uit artikel 25 lid 13 en lid 14 WIA zou kunnen worden afgeleid dat dit betekent dat de duur van de loonsanctie sowieso wordt bekort met de tijd dat het UWV te laat is. De CRvB heeft in twee uitspraken duidelijk gemaakt dat de bepaling anders moet worden gelezen. In 2009 werd geoordeeld -onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis- dat aan het te laat beslissen op een bekortingsaanvraag slechts gevolgen worden verbonden voor zover alsnog herstel van de tekortkoming plaatsvindt. In dat geval eindigt het tijdvak van de loonsanctie zoveel eerder als het besluit later is afgegeven dan de beslistermijn van drie weken.2 In 2010 werd deze lijn doorgetrokken naar het te laat afgeven van de loonsanctiebeschikking zelf.3 Ook in zo’n geval wordt het tijdvak van de loonsanctie pas bekort als de tekortkoming is hersteld.4
Met Fluit ben ik van mening dat de interpretatie van de CRvB geen recht doet aan de tekst van de wet en aan de wetsgeschiedenis. Immers, de wettekst omvat uitdrukkelijk ook het geval dat de beschikking te laat wordt afgegeven, terwijl het UWV in die beschikking oordeelt dat de tekortkoming niet is hersteld. Ook in dat geval moet de werkgever worden gecompenseerd voor de aan het UWV te wijten vertraging, omdat hij pas later zijn re-integratie heeft kunnen bijsturen en bijgevolg een tweede bekortingsverzoek dus ook pas later kan worden gedaan.5 Dat dit systeem tot lastige beoordelingen kan leiden, blijkt uit de uitspraak van Kantonrechter Amersfoort.6 De werkgever kreeg een loonsanctie en meldde na drie weken aan UWV dat hij de tekortkomingen had hersteld. Tegelijk bleef hij doorgaan met re-integratie-inspanningen en legde in verband daarmee aan de werknemer een loonstop op, gevolgd door nog twee meldingen aan UWV dat de tekortkomingen waren opgelost. De werknemer startte een loonvorderingsprocedure. Het UWV reageerde te laat of helemaal niet op de werkgeversmeldingen, waardoor de Kantonrechter onder toepassing van artikel 25 lid 14 WIA de gehele periode van te laat beslissen op de loonvorderingsperiode van de werknemer in mindering bracht. De Kantonrechter nam het standpunt van de CRvB niet over dat die periode pas in mindering kon komen als duidelijk was dat de tekortkoming was hersteld.