Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14.6
9.4.14.6 Strafrechtelijke beginselen uit het (supra)nationale recht
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940765:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 127. Vgl. voorts Feteris 2002, p. 384.
Ook wel het nulla poena-beginsel, voluit: nulla poena, nulla crimen sine praevia lege poenali.
Zie voor enkele voorbeelden waarin deze vraag aan de orde was de zaak die heeft geleid tot HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22.
Zie Feteris 2002, p. 394-395. Zie voor de betekenis van de (in paragraaf 9.4.5 hiervoor behandelde) inkeerregeling en de wijzigingen daarvan in dit verband HR 2 november 2018, V-N 2018/58.14, BNB 2019/7 en Hof Den Haag 1 november 2019, V-N 2020/26.1.6. Vgl. voorts HR 5 april 2019, V-N 2019/19.16, r.o. 5.9.1-5.9.3.
Zie HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, Rb Gelderland 14 september 2018, V-N 2018/67.20, r.o. 23, Hof ’s-Hertogenbosch 20 december 2018, V-N 2019/18.14, r.o. 4.7 en HR 17 juli 2020, V-N 2020/39.17.5 (art. 81 Wet RO). In de literatuur en de jurisprudentie werd dit aspect overigens reeds eerder erkend, zie de verwijzingen bij Feteris 2002, p. 395 (noten 189 en 190). Zie voorts paragraaf 1 lid 2 en lid 3 BBBB en CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6.
Zie over de achtergrond nader: Feteris 2002, p. 395.
Zie paragraaf 1 lid 3 BBBB.
Rb Gelderland 14 september 2018, V-N 2018/67.20, lijkt deze bewijslastverdeling als uitgangspunt te hebben genomen, zie r.o. 17, 22 en 23 (zie ook de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws).
Zie paragraaf 7.2.
Art. 8:69 lid 2 Awb, waarover nader paragraaf 7.3.10.3.2 en paragraaf 15.5.2. Zie voorts Feteris 2007, p. 438-439.
Zie de verwijzingen bij Feteris 2002, p. 396 (noot 198).
Vgl. in dit verband ook hetgeen ik over de imperatieve formulering opmerkte in paragraaf 9.4.6.
Algemeen aanvaarde beginselen uit het strafrecht kunnen ook gelden voor fiscale bestuurlijke boetes, omdat het strafkarakter de toepassing van die beginselen meebrengt.1
Te denken valt bijvoorbeeld aan het legaliteitsbeginsel.2 Dit fundamentele rechtsbeginsel van strafrecht is niet alleen in de nationale strafwetgeving verankerd3 en (bij de Vierde Tranche Awb) bestuursrechtelijk gecodificeerd in art. 5:4 Awb, maar ook opgenomen in art. 7 lid 1 EVRM.4 Een fiscale bestuurlijke boete kan niet worden opgelegd wanneer het handelen of nalaten nog niet beboetbaar was gesteld op het moment waarop dat handelen of nalaten plaatsvond.5 Evenzeer mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan ten tijde van het begaan van het feit mogelijk was.6 Ook wijzigingen van het boetebeleid, die na het begaan van het beboetbare feit worden doorgevoerd en een strafverzwaring inhouden, mogen niet op dat eerder begane feit worden toegepast.7 In de spiegelbeeldige situatie, waarin de maximale straf na het begaan van het beboetbare feit wordt verlaagd, moet de boeteling van die lichtere straf kunnen profiteren. Deze rechtsregel is niet terug te voeren op het legaliteitsbeginsel, maar op art. 15 lid 1, derde volzin BUPO.8 Deze regel komt ook in het Nederlandse strafrecht voor9 en heeft voor het fiscale boeterecht een beleidsmatige pendant.10 Een voor de boeteling gunstige wijziging van de regelgeving, die is ingevoerd nadat het beboetbare feit is begaan, heeft dus wél materieel terugwerkende kracht.
In beginsel zou de bewijslast volgens de reguliere bewijsregels op de boeteling rusten: hij beroept zich immers op een voor hem gunstig, boeteverlagend standpunt.11 Volgens Feteris moet de rechter in deze gevallen echter ambtshalve onderzoeken of er sprake is van strijd met het verdragsrecht.12 Hij doelt daarbij op de verbindendheid van de beboetbare bepaling als zodanig: het gaat dus niet om de feiten en omstandigheden, maar om de toepassing van het recht. Het recht behoeft geen bewijs.13 Ik ben het met Feteris eens: de rechter heeft immers de wettelijke opdracht om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen.14 Ook in het Nederlandse strafrecht moet deze rechtsregel ambtshalve worden toegepast.15 Bovendien is de formulering van art. 5:4 Awb (net als in het strafrecht) dwingend.16