De Europese Executoriale Titel
Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.13.1:5.13.1 Tenuitvoerlegging van een beslissing naar Nederlands burgerlijk procesrecht
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.13.1
5.13.1 Tenuitvoerlegging van een beslissing naar Nederlands burgerlijk procesrecht
Documentgegevens:
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS377014:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De nietigheid van een exploot kan niet door de voorzieningenrechter worden uitgesproken. Deze kan slechts op basis van een voorlopig oordeel de opheffing van het beslag bevelen. Zie H. Oude-laar (red.), Executie en Beslag, 1.6.
HR 9 maart 1939, NJ 1939, 1012.
Zie bijvoorbeeld art. 439 lid 3 Rv voor executoriaal beslag op roerende zaken-niet registergoederen.
H. Oudelaar (red.), Executie en Beslag, 6.13).
Zie paragraaf 5.2.1 en paragraaf 4.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het executierecht is aan tal van formaliteiten verbonden. De niet-inachtneming daarvan wordt meestal met de nietigheid bedreigd. Deze nietigheid treedt niet van rechtswege in. In beginsel moet een beslagexploot dat gebreken vertoont die de nietigheid van het exploot tot gevolg hebben, als geldig worden beschouwd, totdat de rechter in een gerechtelijke procedure (het executiegeschil van art. 438 Rv) het exploot nietig heeft verklaard.1
Alvorens tot de tenuitvoerlegging over te gaan moet ingevolge art. 430 lid 3 Rv de ten uitvoer te leggen beslissing aan de geëxecuteerde worden betekend. Deze bepaling heeft tot doel de geëxecuteerde op de hoogte te brengen van de executoriale titel krachtens welke de tenuitvoerlegging wordt verricht. Het niet voldoen aan dit vereiste heeft tot gevolg dat de executie nietig is. Net als bij de executieformaliteiten treedt de nietigheid van de executie niet van rechtswege in, maar moet deze door de rechter worden uitgesproken.2
Voor de duur van de executie dient de executant een woonplaats te kiezen ten kantore van de deurwaarder die het beslagexploot uitbrengt dan wel ten kantore van een advocaat, meestal de advocaat die voor de executant in de voorafgaande procedure is opgetreden. Het domicilie-vereiste wordt bij de meeste executoriale beslagen gesteld en de niet-inachtneming daarvan wordt met nietigheid bedreigd.3 Het heeft tot doel om de geëxecuteerde een adres te bieden waaraan een dagvaarding tot inleiding van een executiegeschil uitgebracht kan worden. Het is immers mogelijk dat de geëxecuteerde bezwaar tegen de executie wenst te maken en derhalve een executiegeschil aanhangig wil maken. Door de domiciliekeuze wordt hem een eenvoudige mogelijkheid geboden om het stuk waarmee het executiegeschil wordt ingeleid, aan de gekozen woonplaats uit te brengen.
Het exploot dat de tenuitvoerlegging inleidt, wordt door de deurwaarder uitgebracht. De deurwaarder wordt door de overhandiging van de executoriale titel door de schuldeiser dan wel diens advocaat, volgens art. 434 Rv gemachtigd tot het verrichten van de executie. De deurwaarder mag niet eigenmachtig zonder een opdracht van de schuldeiser tot executie overgaan.
Ingeval de schuldenaar tegen de executie wil optreden, biedt art. 438 lid 1 Rv hem de mogelijkheid om een executiegeschil aanhangig te maken. Overeenkomstig deze bepaling wordt het executiegeschil bij dagvaarding aangebracht bij de rechtbank die op grond van de gewone regels bevoegd zou zijn of bij de rechtbank in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt. Ook is mogelijk dat de rechtbank wordt geadieerd in welker rechtsgebied zich een of meer betrokken zaken bevinden, dan wel de rechtbank van de plaats van tenuitvoerlegging.4 Voor het verkrijgen van een voorziening bij voorraad kan het executiegeschil ingevolge art. 438 lid 2 Rv ook bij de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank aanhangig worden gemaakt.
Bij de tenuitvoerlegging van een geldvordering vereist art. 441 Rv dat het geldelijke beloop van de vordering bepaalbaar is. Uit de literatuur blijkt dat het niet noodzakelijk is dat dit bedrag reeds ten tijde van de beslaglegging vaststaat. Het bedrag moet wel bepaalbaar zijn op het moment van de feitelijke executie van datgene waarop het executoriale verhaalsbeslag is gelegd.5
De EET-Verordening vereist in art. 4 dat de beslissing die met een EET moet worden gewaarmerkt, betrekking heeft op een schuldvordering waarvan het bedrag opeisbaar is dan wel de opeisbaarheid uit de beslissing, gerechtelijke schikking of notariële akte blijkt. Zoals reeds elders aangegeven, is het verdedigbaar dat het bedrag niet behoeft vast te staan maar dat het op een eenvoudige wijze vast te stellen is.6 Gesteld zou kunnen worden dat het bedrag van de schuldvordering niet op het moment van de EET-waarmerking moet vaststaan, maar eerst op het moment van het executeren van de beslissing. Het bepalen van het eindbedrag moet wel aan de hand van het EET-formulier kunnen geschieden.7 Indien dit op het moment van de feitelijke executie niet mogelijk is, zal de EET-gewaarmerkte beslissing niet feitelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd.
Art. 447 en 448 Rv vermelden goederen waarop de tenuitvoerlegging van een vordering niet mag plaatsvinden. Dit zijn de zogenaamde 'minimumbestaansgoederen' van de geëxecuteerde. Wordt een vordering onder een derde ten uitvoer gelegd, dan behoort de 'beslagvrije voet' ook tot de 'minimumbestaansgoederen' (vgl. art. 475b Rv). Tot de goederen waarop geen executoriaal verhaalsbeslag gelegd mag worden, behoren onder andere gereedschappen van ambachtslieden en van werklieden die tot hun persoonlijk bedrijf behoren, net als 'het nodige bed en beddegoed' van de schuldenaar en dat van zijn inwonende gezinsleden. Evenmin zijn voor executie vatbaar de boeken die de schuldenaar nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep, en de werktuigen en gereedschappen van de schuldenaar benodigd voor enig onderwijs of voor de beoefening van kunsten en wetenschappen. De bescherming tegen de executie van de goederen van een beroepsuitoefenaar geldt echter niet indien het executoriaal verhaalsbeslag gelegd wordt voor de tenuitvoerlegging van een alimentatievordering ten behoeve van de geëxecuteerde of zijn inwonende gezinslid, dan wel voor de vordering die voortvloeit uit vervaardiging, herstel of verkoop van deze goederen aan de schuldenaar.