Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.2:9.5.2 403-aanspraak en verpande vordering 403-rechtspersoon
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.2
9.5.2 403-aanspraak en verpande vordering 403-rechtspersoon
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85511:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de uitleg van 403-aansprakelijkheid van de Hoge Raad strekt een gevestigd pandrecht op het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon zich niet uit tot een pandrecht op de 403-aanspraak (of vice versa). Wil een pandhouder ook rechten jegens de 403-aansprakelijke maatschappij kunnen uitoefenen dan zal ter zake van de 403-aanspraak een afzonderlijk pandrecht moeten worden gevestigd. In strikte zin heeft de Hoge Raad over de mogelijkheid daartoe geen uitspraak gedaan ofschoon HR 28 juni 2002 (Akzo/ING), r.o. 3.5.4 wellicht dit wel indiceert: ‘(…) de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid van Akzo Nobel het pandrecht van ING op de vorderingen van ING op de vordering van de … (voormalige 403-rechtspersoon) in stand laat en er geen pandrecht is gevestigd ten behoeve van ING op vorderingen van … (voormalige 403-rechtspersoon) op Akzo Nobel’. Als van die mogelijkheid wel wordt uitgegaan, is alleen een pandhouder die ten aanzien van de vordering op de 403-rechtspersoon een pandrecht heeft verkregen, ten aanzien van beide vorderingsrechten (mogelijk) inningsbevoegd geworden. Indien niet ten laste van beide vorderingen een pandrecht wordt gevestigd, kan de situatie zich voordoen dat de schuldeiser de onbezwaarde vordering op enig moment overdraagt aan de derde. In die situatie heeft de schuldeiser (bijvoorbeeld) recht op de vordering jegens de 403-rechtspersoon die is verpand, terwijl de 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij in handen is van de derde (die op zijn beurt de 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij in pand aan een tweede pandhouder kan geven). Gesteld kan dan ook worden dat wanneer de pandhouder slechts ten aanzien van één van beide vorderingen bevoegd is, de rechtsgevolgen daarvan complex zijn.
In de opvatting van het onafhankelijk nevenrecht is er discussie over de vraag of door een pandrecht op de vordering op de 403-rechtspersoon tevens verkregen wordt een pandrecht op de 403-aanspraak.1 Er zijn auteurs die daarvan uitgaan2 maar ook auteurs die dit standpunt niet delen.3 Niettemin blijft de 403-aanspraak zelfstandig verpandbaar. In de ‘dynamische 403-aanspraak’-opvatting is dit niet het geval; in deze opvatting omvat het pandrecht op de vordering op de 403-rechtspersoon niet het pandrecht op de 403-aanspraak.4 De auteurs met de borgtochtachtige opvattingen verdedigen dat een 403-aanspraak afhankelijk moet zijn van de vordering van de schuldeiser jegens de 403-rechtspersoon. In dat geval strekt een gevestigd pandrecht op de vordering jegens de 403-rechtspersoon zich tevens uit tot de 403-aanspraak. In de ‘één vordering/twee schuldenaren’-opvatting spelen de eerder genoemde complicaties niet omdat sprake is van één vordering.