Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.9:9.5.9 403-aanspraak en onteigende vordering 403-rechtspersoon
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.9
9.5.9 403-aanspraak en onteigende vordering 403-rechtspersoon
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85613:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Daar de uit een rechtshandeling van de 403-rechtspersoon voortvloeiende vorderingsrechten en de 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij zelfstandige vorderingen zijn in de zin van Boek 6 BW, zou verwacht worden dat in geval van onteigening beide vorderingen worden onteigend. In het onteigeningsbesluit van de SNS-Bank1 zijn echter alleen de vorderingen op de 403-rechtspersoon onteigend. De Ondernemingskamer2 heeft geoordeeld dat de 403-verklaring van de 403-aansprakelijke maatschappij betekent dat de schuldeisers van de 403-rechtspersoon, na de onteigening van hun vorderingen op de 403-rechtspersoon in elk geval ook geen 403-aanspraak meer hebben jegens de 403-aansprakelijke maatschappij uit hoofde van de 403-verklaring. Zij vallen buiten de reikwijdte van de 403-verklaring. Dit is het geval zowel indien wordt uitgegaan van onteigening van de passieve zijde van deze vorderingen (en de 403-rechtspersoon niet langer schuldenaar is) als wanneer wordt uitgegaan van onteigening van de actieve zijde van deze vorderingen (en de aanvankelijke schuldeisers niet langer schuldeisers van de 403-rechtspersoon zijn). A-G Timmerman acht deze redenering van de Ondernemingskamer juist.3 De Hoge Raad verwerpt onder verwijzing naar de gronden in de conclusie van de A-G4 het hiertegen ingestelde cassatieberoep voor zover de overwegingen van de Ondernemingskamer zouden inhouden dat de Ondernemingskamer zich bevoegd heeft geacht zelfstandig te oordelen dat de 403-aanspraken onteigend zijn dan wel dat de onteigening mede omvat de 403-aanspraak. Het oordeel van de Ondernemingskamer spreekt mij aan. De 403-verklaring richt zich tot de rechthebbenden van de uit rechtshandelingen van de 403-rechtspersoon voortvloeiende vorderingsrechten jegens de 403- rechtspersoon. Als die vorderingsrechten van crediteuren van de 403-rechtspersoon zijn onteigend, zijn zij geen crediteuren meer van de 403-rechtspersoon en zijn zij om die reden geen 403-aanspraakgerechtigden meer jegens de 403- aansprakelijke maatschappij.
Indien wordt uitgegaan van de ‘één vordering/twee schuldenaren’-opvatting, geldt het hiervoor opgemerkte eveneens. Door de onteigening van de vordering is er geen door de 403-rechtspersoon of de 403-aansprakelijke maatschappij verschuldigde prestatie meer jegens degenen wier vorderingsrechten zijn onteigend. Ook in de ‘dynamische 403-aanspraak’-opvatting en in de borgtochtachtige opvattingen is er na onteigening van de vordering jegens een 403-rechtspersoon geen 403-aanspraak meer, zij het dat de grond ervan verschilt. In de ‘dynamische 403-aanspraak’-opvatting verdwijnt de 403-aanspraak uit het vermogen van de onteigende schuldeisers en komt in het vermogen van de onteigenaar; in de borgtochtachtige opvattingen is die aanspraak als afhankelijk recht door onteigening overgegaan op de onteigenaar.