RvdW 2026/149:Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk verrichten van werkzaamheden gericht op verlenen van trustdiensten door trustkantoor met zetel in niet-aangewezen staat (Cyprus) dat niet beschikt over vergunning van toezichthouder (art. 2 lid 3 Wet toezicht trustkantoren (oud)). 1. Had hof verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van regeling van art. 2 Wtt (oud) met verbod op beperkingen op vrij verrichten van diensten a.b.i. art. 56 VWEU? 2. Ambtshalve cassatie i.v.m. partiële verjaring van opzettelijke overtreding art. 2 lid 3 Wtt (oud)? Ad 1. Om redenen vermeld in RvdW 2026/142 faalt klacht en kan worden afgezien van stellen van prejudiciële vraag aan HvJ EU. Ad 2. HR ambtshalve: HR merkt n.a.v. CAG op dat verdachte om redenen vermeld in ECLI:NL:HR:2025:1877 onvoldoende belang heeft bij ambtshalve beoordeling van verjaring van tlgd. feit, met dien verstande dat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2026/142. CAG: anders t.a.v. verjaring.