RvdW 2025/851:Feitelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist en onvolledig doen van belastingaangiften, begaan door rechtspersoon (art. 69 AWR). Vrijspraak eerste aanleg. 1. Nemo tenetur-beginsel. Gebruik van (suppletie)aangiften (en daarna vergaard materiaal) en gebruik van verklaring van verdachte tijdens gesprek met Belastingdienst voor bewijs in strijd met nemo tenetur-beginsel? 2. Bewijsklachten en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten m.b.t. betrouwbaarheid van getuige. 3. Niet beslist op beroep van raadsman op overschrijding van redelijke termijn in eerste aanleg. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: V.zv. middel als uitgangspunt neemt dat suppletieaangiften zelf of andere o.g.v. art. 10a AWR verstrekte informatie voor bewijs is gebruikt, mist het feitelijke grondslag. V.zv. middel klaagt dat hetgeen is voortgevloeid uit onderzoek dat heeft plaatsgevonden o.g.v. suppletieaangiften en of andere o.g.v. art. 10a AWR verstrekte gegevens van bewijs moet worden uitgesloten faalt het eveneens. Uit vaststellingen hof volgt dat onderzoek is begonnen na nihilaangiften en dat onderzoek nog liep t.t.v. suppletieaangiften. Conclusie hof dat Belastingdienst “onvolkomenheden in eerdere aangiften voordat suppletieaangiften waren gedaan, al ‘op het spoor’ was”, is niet onbegrijpelijk. V.zv. middel klaagt over gebruik van verklaring van verdachte tijdens gesprek met Belastingdienst, faalt het nu aan verdachte voorafgaand aan gesprek cautie is verleend. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt klacht niet tot cassatie. CAG: Hoewel juist is dat bewijsmiddel 1 (tabel A) niet geheel correct in arrest is opgenomen, heeft verdachte geen belang bij cassatie, gelet op onmiskenbare inhoud van de in dossier bevindende tabel A. B.m. 2 bevat weergave van hetgeen verbalisant in dossier heeft waargenomen over gedane aangiften en over omzetbelasting die rechtspersoon daadwerkelijk verschuldigd was in bewezenverklaarde periode. Dat in dergelijk geval ook stukken waaraan verbalisant zijn kennis ontleent als b.m. in arrest hadden moeten worden opgenomen, vindt geen steun in recht. Verder heeft hof in voldoende mate gerespondeerd op ttz. gevoerd betrouwbaarheidsverweer. Ad 3. Gelet op wat raadsman heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn in e.a., had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. HR doet zaak zelf af door opgelegde taakstraf van 240 uren (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) met 40 uren te verminderen. CAG: anders t.a.v. overschrijding van redelijke termijn in e.a.