Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14.1:9.4.14.1 Ontvankelijkheid en andere kwesties van openbare orde
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14.1
9.4.14.1 Ontvankelijkheid en andere kwesties van openbare orde
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940281:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 mei 2011, BNB 2011/218.
HR 16 juli 2021, V-N 2021/31.19, BNB 2021/140. Zie daarover nader paragraaf 7.3.4.4.
HR 5 juli 2019, V-N 2019/33.19, BNB 2019/142. Zie over dit onderscheid nader paragraaf 15.4.3.3.
Zie voor die kwesties nader paragraaf 7.3.4.4 en paragraaf 7.3.10.3.3.
Zie voorts (uitgebreid) paragraaf 12.3.3.
Zie paragraaf 15.5.2 en paragraaf 14.4.4.
Feteris 2007, p. 443.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot ontvankelijkheidskwesties kwam de Hoge Raad in 2011 voor het algemene fiscale recht terug op zijn eerdere jurisprudentie.1 De vraag was of de rechter, naast de verplichte ambtshalve toetsingsplicht, ook een zelfstandige onderzoeksplicht heeft. Dit speelt met name een rol wanneer de ene partij een stelling heeft ingenomen, die door de andere partij niet is weersproken. De Hoge Raad bepaalde dat dat de rechter bij ontvankelijkheidskwesties niet is gebonden aan niet-betwiste stellingen van partijen, maar gehouden is om ambtshalve een eigen feitenonderzoek te verrichten. Er rust dus een zelfstandige onderzoeksplicht op de rechter, die als het ware in de plaats komt van de reguliere bewijslastverdeling tussen partijen. Voor wat betreft het aspect van de tijdigheid geldt sinds medio 2021 wel een beperking: de rechter toetst niet langer ambtshalve de tijdigheid van een bij een voorgaande instantie ingediend rechtsmiddel.2
Weliswaar geldt deze uitzondering op de reguliere regels van bewijslastverdeling voor het gehele fiscale recht, maar de rechter diende tot medio 2019 wel onderscheid te maken tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de beboeting. Tot het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 kon de bewijslast op het punt van de ontvankelijkheid in de boetesfeer onder invloed van art. 6 EVRM namelijk afwijken van hetgeen in het algemeen in fiscalibus geldt.3
Vermoedelijk geldt de zelfstandige onderzoeksplicht niet alleen voor ontvankelijkheidskwesties, maar voor alle vraagstukken van openbare orde.4 Daarbij valt, in het bijzonder voor wat betreft de boetesfeer, te denken aan:
overschrijding van de verjaringstermijn (zie paragraaf 9.4.15);5
overschrijding van de redelijke termijn (zie paragraaf 9.4.11);
schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde (zie paragraaf 9.4.14.5);
(mogelijk) het passend en geboden-oordeel (de strafmaat);6
(mogelijk) schending van de fair hearing.7