Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.14.4
9.4.14.4 Fair hearing en daaruit voortvloeiende waarborgen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940386:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Feteris 2007, p. 443, die – althans voor wat betreft de aspecten die het optreden van de rechter zelf betreffen – nog wat verder lijkt te gaan (in de richting van een zelfstandige onderzoeksplicht van de rechter).
Vgl. HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, r.o. 2.4.1, waarin de Hoge Raad overweegt dat de belastingplichtige in een procedure waarop art. 6 EVRM als zodanig niet van toepassing is (ten aanzien van een belastingaanslag), daadwerkelijk een stelplicht en een bewijslast heeft. Daaruit kan a contrario worden afgeleid dat zulks niet of althans in mindere mate het geval is als de procedure wél onder de reikwijdte van art. 6 EVRM valt.
EHRM 30 maart 1999 (Passet), nr. 38434/97, BNB 2002/25.
De Nederlandse rechter toetst dat inderdaad ambtshalve, zie paragraaf 9.4.11.
Feteris 2002, p. 280.
Zie in dit verband het in art. 6 lid 3 onderdeel c EVRM vastgelegde recht om zichzelf te verdedigen. Zie voorts EHRM 15 juni 2004 (S.C.), nr. 60958/00, EHRC 2004/75, par. 28 e.v. en EHRM 23 februari 1994 (Stanford), nr. 16757/90, NJ 1994, 483, par. 26.
Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2021, V-N 2021/34.16, r.o. 4.7 e.v.. Het Hof vernietigde de boetes omdat de boeteling wegens vergaande dementie niet meer in staat was om op een enigszins effectieve manier aan het proces deel te nemen en zich te verweren.
Zie paragraaf 9.4.14.5 hierna.
Feteris 2002, p. 280.
HR 8 september 2017, V-N 2017/43.7, HR 23 september 2011, V-N 2011/47.6, BNB 2012/114, FED 2012/94. Zie daaromtrent nader paragraaf 12.3.4.
Niet te verwarren met de mededeling als zodanig, zie paragraaf 12.2.7.
Hof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2003, V-N 2003/52.3. Zie voorts het in de vorige paragraaf aangehaalde arrest HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, waarin het Hof een ambtshalve oordeel had gegeven.
Zie (expliciet) Rb Zeeland-West-Brabant 30 maart 2018, V-N 2018/48.13.13, r.o. 2.6. Zie omtrent de betekenis van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel in boetezaken nader paragraaf 12.3.4.2.
Uit de overkoepelende norm van de fair hearing van art. 6 EVRM vloeien verschillende waarborgen voort, waarvan sommige nader zijn uitgewerkt in art. 6 EVRM zelf. De boeteling die zich op de schending van een bepaalde waarborg beroept, draagt daarvan de bewijslast. Als de boeteling bijvoorbeeld van mening is dat aan hem onvoldoende tijd en gelegenheid is geboden om zich behoorlijk te verdedigen, zal hij die stelling moeten onderbouwen.1 Dat volgt uit de reguliere regels van bewijslastverdeling, aangezien de schending van art. 6 EVRM een in potentie boeteverlagende component betreft. Wel ben ik van mening dat de lat hierbij niet al te hoog mag worden gelegd, omdat de fair hearing als zodanig ter discussie staat.2 Het neerleggen van het bewijsrisico bij de boeteling, terwijl de bewijslast zo zwaar is dat het praktisch onmogelijk is om een dergelijke schending in rechte hard te maken, zou immers op zichzelf reeds een schending van de fair hearing mee kunnen brengen.3
Het EHRM beschouwt het bewijsrecht weliswaar als een nationaalrechtelijke aangelegenheid, maar toetst de procedure als geheel wel degelijk aan de normen van het EVRM.4
In de literatuur is in dit verband verdedigd dat er een uitzondering moet worden gemaakt op de reguliere bewijslastverdeling. Volgens Feteris dient de rechter bijvoorbeeld ambtshalve te onderzoeken of de waarborgen van art. 6 EVRM die in de sfeer van het optreden van de rechter zelf zijn gelegen, zoals het recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling binnen een redelijke termijn,5 in voldoende mate zijn verleend.6 Naar mijn mening geldt dat ook voor de vraag of de boeteling voldoende in staat is om berecht te worden7 (kan de boeteling begrijpen dát hij wordt berecht en waarvan hij wordt beschuldigd, in hoeverre is de boeteling fysiek en mentaal fit genoeg om terecht te staan en zich effectief tegen de vervolging te verweren?).8 In mijn opvatting heeft de rechter ten aanzien van dergelijke kwesties een zelfstandige onderzoeksplicht. Dat is naar mijn mening in lijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde, die zelfstandig door de rechter worden bewaakt.9
Ook als het dossier aanknopingspunten biedt voor een mogelijke schending van andere aspecten (zoals onvoldoende tijd en gelegenheid om zich behoorlijk te verdedigen), moet de rechter die volgens Feteris ambtshalve aan de orde stellen.10 Naar mijn mening geldt voor deze aspecten (die niet tevens vallen onder de behoorlijke procesorde) een ambtshalve toetsingsplicht: dat is in lijn met de gedachte dat de waarborgen van art. 6 EVRM moeten worden gegarandeerd door het nationale procesrecht en dus ook door de nationale rechter die dat procesrecht toepast. Uit de nationale jurisprudentie volgt dat de Hoge Raad ook inderdaad ambtshalve toetst of de waarborg van de fair hearing er bijvoorbeeld toe noopt om de boeteling zelf – tijdens een mondelinge behandeling van de zaak – te horen.11 Ook in de feitenrechtspraak wordt de ambtshalve toetsing toegepast. In een zaak waarin verschillende vormvoorschriften tegelijk waren geschonden, zoals de kennisgeving vooraf12 en de rechtsmiddelenverwijzing, oordeelde Hof ’s-Hertogenbosch bijvoorbeeld ambtshalve dat daardoor niet was voldaan aan ‘de zorgvuldigheid die mede blijkens de regels van het EVRM en de rechtspraak dientengevolge vereist is’.13 In dit kader merk ik nog op dat ook het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel wel ambtshalve wordt getoetst.14