Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.3.1
6.3.3.1 Crediteurenakkoord
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499437:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
In de civielrechtelijke literatuur is veel geschreven over dit fenomeen. Ik verwijs naar Wessels 2007 en Soedira 2011. Voor btw-gerelateerde problematiek verwijs ik naar Heijnen 2010, p. 8-10 en Heijnen 2015. Een deel van deze paragraaf is hier op gebaseerd.
Over andere akkoordvarianten kom ik in paragraaf 6.3.3.1.5 te spreken.
Ook een getrapt percentageakkoord behoort tot de mogelijkheden. In dat geval worden de schulden onderverdeeld in groepen categorieën met een eigen uitkeringspercentage. Zo worden kleine schuldeisers in de praktijk gekoppeld aan een hoger uitkeringspercentage dan grote schuldeisers. Dit heeft veelal een tactische achtergrond: schuldeisers met een lagere claim zullen dan eerder voor het akkoord stemmen. Zie Bobeldijk e.a. 2013, p. 80.
Voordeel van een akkoord is vaak dat een langdurige en kostbare gerechtelijke vereffening wordt voorkomen en derden, zoals financiële instellingen en/of investeerders, de failliet dikwijls financieel steunen, zodat de uitkering veelal hoger zal zijn dan redelijkerwijs is te verwachten bij blokkering van een akkoord.
Zie ook Joosen 1998, p. 129.
Wessels 2007, p. 5-6. Zie ook HR 30 januari 1920, NJ 1920/232. Vgl. art. 50 Fw (het akkoord kan boedelafstand inhouden).
Zie onder meer HR 12 augustus 2005, JOR 2005/257 en HR 24 maart 2017, JOR 2017/209. Als het aan de wetgever ligt komt hier echter verandering in. Als onderdeel van de Herijking Faillissementsrecht is in december 2017 een tweede consultatieronde afgesloten met betrekking tot een wetsvoorstel strekkende tot de invoering van een onderhands dwangakkoord ter voorkoming van (dus buiten) faillissement (www.internetconsultatie.nl/wethomologatie). Zie ook paragraaf 6.3.3.2.3.
Art. 138-172 en art. 252-281 Fw. Buiten faillissement of surseance behoeft een akkoord geen toetsing door een rechter, vandaar dat het akkoord buiten faillissement of surseance een grote mate van flexibiliteit kent.
Een akkoord buiten faillissement of surseance wordt ook wel onderhands akkoord of buitengerechtelijk akkoord genoemd.
Strikt genomen is de Ontvanger (van de Belastingdienst) belast met invordering van rijksbelastingen (art. 3 lid 1 Iw 1990).
Om een bestaande schuldenlast te verminderen kan een schuldenaar zijn schuldeisers een akkoord1 aanbieden. De inhoud van een akkoord is niet aan regels gebonden en kan van alles inhouden. In de insolventiepraktijk is het percentageakkoord2 het meest voorkomend: schuldeisers wordt gevraagd genoegen te nemen met een deelbetaling in ruil voor over en weer te verlenen finale kwijting.3 Voor de schuldeiser zal het al dan niet ingaan op een aanbod tot een akkoord in de praktijk afhangen van de uitkomst van een risicoafweging: wat is de kans dat ik beter af ben met of zonder akkoord?4 Hoewel het motief van de schuldenaar in veruit de meeste gevallen zal zijn gelegen in het kunnen continueren van zijn onderneming of in het realiseren van een doorstart,5 hoeft dit het geval te zijn. Met het zogeheten liquidatieakkoord wordt de gerechtelijke vereffening door en namens de schuldeisers namelijk vervangen door een contractuele.6 In de praktijk is het succes van een onderhands akkoord – dat steeds een (meerpartijen)overeenkomst tussen de schuldenaar en zijn gezamenlijke schuldeisers betreft – veelal afhankelijk van de bereidheid van iedere schuldeiser om in te stemmen met het voorstel. Een akkoord is als uitgangpunt namelijk enkel bindend ten aanzien van de schuldeisers die met het akkoordvoorstel hebben ingestemd: een schuldeiser die niet instemt behoudt zijn vordering en de mogelijkheid tot verhaal op het vermogen van de schuldenaar en zou zodoende de totstandkoming van een (algeheel) akkoord kunnen frustreren. Vooralsnog kan een schuldenaar alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden medewerking van een crediteur afdwingen.7
Een uitzondering geldt voor een akkoord dat in faillissement of surseance tot stand komt. In dat geval bestaat onder voorwaarden wél de mogelijkheid schuldeisers te dwingen een aangeboden akkoord te aanvaarden. Tot het aannemen van een akkoord is een gewone meerderheid voldoende. Anders dan het geval bij een akkoord buiten faillissement of surseance, rechtvaardigt dit een zorgvuldig bij wet vastgelegde procedure en vereist het dat de rechtbank het akkoord goedkeurt, ofwel: homologeert.8 Het is dan ook niet voor niets dat een dergelijk (aangenomen) akkoord in faillissement of surseance een dwangakkoord of gerechtelijk akkoord wordt genoemd.9 Een faillissements- of surseanceakkoord raakt echter alleen de concurrente schuldeisers. Schuldeisers met voorrang, zoals separatisten (pand- en hypotheekhouder) en (andere) bevoorrechte schuldeisers, zoals de Belastingdienst,10 zijn niet aan een dwangakkoord gebonden. Dit is anders wanneer zij afstand doen van hun voorrangspositie (en zodoende ook mogen meestemmen over een akkoordvoorstel)11 of vrijwillig medewerking verlenen aan een akkoord.
6.3.3.1.1 Positie Belastingdienst6.3.3.1.2 Communautaire middelen6.3.3.1.3 De arresten Degano Trasporti en Marco Identi6.3.3.1.4 Geen heden zonder verleden6.3.3.1.5 Akkoordvarianten