Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4
4.3.4 Overdracht van vorderingen
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS492171:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Ik breng in herinnering dat de overdracht van een vordering zelf niet resulteert in de conclusie dat de vergoeding door de overdrager geacht moet worden te zijn ontvangen (paragraaf 4.3.1.1.1). Een overdracht zorgt er enkel voor dat de vordering wordt losgekoppeld van de btw-relatie tussen de leverancier en de afnemer. Een overdracht voor een (beduidend) lager bedrag dan de nominale waarde van de vordering kan wel een aanwijzing zijn voor het te verwachten betalingsgedrag van de afnemer. Vgl. het in paragraaf 4.3.1.1.8 besproken arrest HR 29 maart 1995, BNB 1996/244, m.nt. Finkensieper.
De indeplaatstredingsregeling heeft daarmee veel weg van art. 37d Wet OB 1968 (zie ook art. 19 en 29 Btw-richtlijn). Deze bepaling voorziet in een indeplaatstredingsregeling bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen. In dat geval wordt geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt de degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager. De indeplaatstredingsregeling van art. 37d Wet OB 1968 geldt in mijn optiek ook voor de rechten en verplichtingen uit art. 29 Wet OB 1968. Daar waar een handelsvordering deel uitmaakt van een algemeenheid van goederen zal de indeplaatstredingsregeling van art. 29 lid 6 Wet OB 1968 niet nodig zijn om hetzelfde resultaat te bereiken. Omwille van de reikwijdte van dit onderzoek ga ik niet in op de vraag wanneer sprake is van een algemeenheid van goederen in bedoelde bepaling. Ik laat toepassing van art. 37d Wet OB 1968 in zoverre buiten beschouwing.
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10 (MvT).
Dit kan worden opgemaakt uit de redactie van art. 29 lid 6 Wet OB 1968, waarin wordt gesproken over ‘overdragen’ en niet (ook) over ‘heeft overgedragen’. Daarnaast vindt dit steun in de stelling van de staatssecretaris van Financiën dat een eerder getroffen goedkeuring geen belang meer heeft voor vorderingen die ná 31 december 2016 zijn overgenomen (ik doel op het nog te bespreken factoorbesluit 2017). Deze stelling zou zinledig zijn als de indeplaatstredingsregeling ook van toepassing zou zijn op vorderingen die vóór 1 januari 2017 zijn overgenomen. Ook het op de website van de Belastingdienst beschikbaar gestelde formulier voor het effectueren van het recht op teruggaaf vanaf 2017 gaat ervan uit dat de indeplaatstredingsregeling alleen van toepassing is op vorderingen die ná 1 januari 2017 zijn overgedragen. Bovendien zou het getuigen van weinig sympathie als de wetgever een ondernemer, die vóór 2017 een vordering heeft overgedragen, het (latente) recht op teruggaaf bij oninbaarheid (met terugwerkende kracht) zou ontnemen. Deze ondernemer heeft bij het stellen van de prijs voor de vorderingen immers wellicht de mogelijkheid tot het kunnen doen van een teruggaafverzoek ingecalculeerd.
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 10 (MvT).
Als op het moment van overdracht de éénjaarstermijn bijvoorbeeld is verstreken, ligt het voor de hand om de prijs van de vordering te baseren op het nettobedrag van de vordering (exclusief btw).
Paragraaf 4.2.7.
Eveneens nieuw met ingang van 1 januari 2017 is de regeling van art. 29 lid 6 Wet OB 1968. Dit onderdeel voorziet in een indeplaatstredingsregeling wanneer een ondernemer zijn vordering geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een andere ondernemer: deze overnemer treedt met betrekking tot (het overgedragen gedeelte van) die vordering voor toepassing van art. 29 Wet OB 1968 in de plaats van de overdrager.1 Daarmee zorgt de regeling ervoor dat het recht op teruggaaf bij een oninbare vordering niet langer toekomt aan de overdrager, maar de overnemer (mits dit recht niet reeds bij de overdrager is ontstaan) (lid 1 en 2), en maakt dat hij de teruggaaf moet herzien als de vergoeding alsnog wordt betaald (dus ongeacht bij wie het recht op teruggaaf is opgekomen) (lid 5). Voor de wijze waarop het recht op teruggaaf moet worden geëffectueerd gelden bijzondere regels (vgl. lid 10).2 De achtergrond van de indeplaatstredingsregeling moet worden gevonden in een verdere verlaging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de uitvoeringskosten van de Belastingdienst.3 De nieuwe regeling is alleen van toepassing op vorderingen die op of ná 1 januari 2017 zijn overgedragen.4
Blijkens de memorie van toelichting is met de indeplaatstredingsregeling vooral beoogd een regeling te treffen voor factoring.5 De regeling is hier echter niet toe beperkt. Indeplaatstreding komt om de hoek kijken wanneer een vordering door een ondernemer wordt overgedragen aan een andere ondernemer. Voor een goed begrip van de regeling ga ik hierna op deze drie elementen in. In paragraaf 4.3.4.2 sta ik stil bij het begrip ‘overdragen’. Vervolgens onderstreep ik het belang van een juiste kwalificatie van de status van de bij de overdracht betrokken partijen (paragraaf 4.3.4.3). Een juiste interpretatie van de regeling op deze punten is van groot belang, aangezien het al dan niet indeplaatstreden direct effect heeft op de waarde van de over te nemen vordering.6 Daarna ga ik in op factoring. Deze figuur staat centraal in paragraaf (4.3.4.4). Voor het geval de indeplaatstredingsregeling geen toepassing vindt, komt de vraag op of niet eenzelfde resultaat kan worden bereikt door het recht op teruggaaf op zichzelf (tezamen met het onderliggende vorderingsrecht) aan de overnemer van de vordering over te dragen. De (on)mogelijkheden hiertoe bespreek ik in paragraaf 4.3.4.5. Omdat art. 29 Wet OB 1968 niet enkel rechten schept voor de ondernemer, maar bij een latere betaling ook de verplichting voorschrijft om btw opnieuw te voldoen, sta ik in paragraaf 4.3.4.6 volledigheidshalve, doch summier, stil bij de ‘tegenhanger’ van de cessie: de schuldoverneming. Vervolgens toets ik in paragraaf 4.3.4.7 de indeplaatstredingsregeling aan het Unierecht. De verhouding tot het rechtskarakter staat centraal in paragraaf 4.3.4.8. Volledigheidshalve besteed ik tot slot (paragraaf 4.3.4.9) aandacht aan de vraag in hoeverre de regeling beantwoordt aan de ratio van art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) om de regeling van art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) te vereenvoudigen.7 Ik rond af in paragraaf 4.3.4.10.
4.3.4.1 Overdrachten onder het ‘oude’ regime4.3.4.2 Het begrip ‘overdragen’4.3.4.3 Hoedanigheid van de overdrager en overnemer4.3.4.4 Factoring4.3.4.5 Cessie van het recht op teruggaaf4.3.4.6 Schuldoverneming4.3.4.7 Verhouding tot het Unierecht4.3.4.8 Verhouding tot het rechtskarakter4.3.4.9 Verhouding tot de wens te vereenvoudigen4.3.4.10 Slotsom