Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.1.3
9.4.1.3 AVAS bij verzuimboetes: ambtshalve toetsingsplicht of zelfstandige onderzoeksplicht?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940559:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.3.2.2.5.
Art. 8:69 lid 2 Awb, waarover nader paragraaf 7.3.10.3.2 en paragraaf 15.5.2.
Zie par. 4 lid 1 BBBB, voor het eerst in het Besluit van 9 december 2008, nr. CPP2008/2386M, Stcrt. 2008, 247. Tot 1 januari 2009 bevatte par. 4 lid 3 BBBB de volgende slotzin: ‘Belanghebbende dient een pleitbaar standpunt of avas te stellen en te bewijzen.’.
HR 9 juli 2010, V-N 2010/32.3, BNB 2010/294, FED 2010/89, NTFR 2010/1684. Dit geschiedde in het kader van een beoordeling van de onrechtmatigheid in de zin van art. 7:15 lid 2 Awb (waarin de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is geregeld).
Zie voor een ambtshalve toetsing bijvoorbeeld Hof Den Haag 11 oktober 2016, V-N 2017/8.11, r.o. 7.11 en Hof Den Haag 22 juni 2016, FutD 2016/1797, r.o. 7.7. Anders (bewijslast rust op de boeteling): Hof Arnhem-Leeuwarden 13 september 2022, V-N 2023/7.9, r.o. 4.17-4.18, Rb Zeeland-West-Brabant 6 maart 2020, V-N 2020/33.22, r.o. 4.4, Hof Amsterdam 28 november 2019, V-N 2020/11.20, r.o. 5.6 en Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20, r.o. 4.9 (hoewel in laatstgenoemd geval moet worden opgemerkt dat het Hof in wezen ambtshalve toetste, nu slechts de strafmaat in geschil was).
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8. De belastingautoriteiten en de rechter waren op grond van de nationale wetgeving verplicht om zelfstandig, op grond van het aanwezige dossier, na te gaan of één van de wettelijke disculpatiegronden van toepassing was. Dat van de rechter ambtshalve een bepaalde inspanning wordt verwacht op dit punt, kwam ook al naar voren uit het arrest Passet. Zie over deze arresten nader paragraaf 9.3.2.2.4.
Bovendien heeft de belastingrechter de taak om een boete op te leggen die ‘passend en geboden’ is. In dat verband zal hij onderzoek moeten doen naar de mate van verwijtbaarheid (zie daaromtrent nader paragraaf 14.4.4), en dus ook naar het mogelijk geheel ontbreken daarvan. Vgl. HR 10 juni 2005, V-N 2005/30.6, BNB 2005/293 en zie voor een voorbeeld voorts Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20 (r.o. 4.8 e.v.), waarin alleen de strafmaat in geschil was, maar het Hof toch begint met de toets of er sprake is van AVAS.
Zie paragraaf 9.4.1.2.
Bovendien moet die aanwezigheid ‘beyond reasonable doubt’ worden vastgesteld, zie paragraaf 13.3.5.1.3.
Zie ook paragraaf 12.4.1.3, waarin ik verdedig dat de rechter ten aanzien van alle centrale stellingen (dus ook de impliciete en – bij vergrijpboetes – expliciete verwijtbaarheid) een ambtshalve toetsingsplicht heeft.
Zoals in de vorige paragraaf is opgemerkt, moet de rechter bij verzuimboetes naar mijn mening de aanwezigheid van ten minste enige schuld ambtshalve vaststellen. Dat heb ik afgeleid uit de jurisprudentie van het EHRM over schuldneutrale delicten.1 Een belangrijke vraag in het kader van de bewijslastverdeling bij AVAS is wat deze onderzoeksplicht precies inhoudt: moet de rechter geheel zelfstandig feitenonderzoek verrichten, kan hij zich beperken tot de gegevens zoals die hem uit het dossier zijn gebleken of bestaat er een stelplicht en hoeft hij dus alleen in actie te komen als de boeteling zich uitdrukkelijk beroept op AVAS?
Haas & Jansen geven aan dat er in fiscalibus sprake is van een tussenvorm, waarbij de rechter wél ambtshalve de eventuele aanwezigheid van AVAS moet toetsen, maar niet gehouden is om zelfstandig onderzoek te doen buiten het dossier om.2 Als de rechter op basis van het beschikbare dossier constateert dat er sprake is van AVAS, terwijl de boeteling daarop geen beroep heeft gedaan, zal hij dus ambtshalve de rechtsgronden moeten aanvullen.3
In het vervolg zal ik deze tussenvorm aanduiden met de term ‘ambtshalve toetsingsplicht’. De verdergaande verplichting van de rechter om ook op eigen houtje feitenonderzoek in te stellen, moet daar nadrukkelijk van worden onderscheiden. In die verdergaande variant gaat het niet slechts om de ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, gevolgd door een oordeel op basis van de door partijen gepresenteerde feiten, maar tevens om de ambtshalve aanvulling van de feiten die aan dat oordeel ten grondslag worden gelegd.4 In het vervolg zal ik deze verdergaande verplichting aanduiden met de term ‘zelfstandige onderzoeksplicht’.
De wetgever lijkt eveneens uit te gaan van de tussenvorm. In de wetsgeschiedenis van de Vierde Tranche Awb is namelijk opgemerkt dat een bestuursorgaan niet steeds actief hoeft te onderzoeken of er een rechtvaardigingsgrond is: dat is slechts vereist als er een gemotiveerd beroep op wordt gedaan of als daar anderszins aanwijzingen voor zijn.5 Ook beleidsmatig is een verschuiving in deze richting waarneembaar. Tot 2009 gaf het BBBB aan dat de stelplicht en de bewijslast van AVAS op de boeteling rustte. Vanaf de wijziging per 1 januari 2009 laat het BBBB in het midden wie de stelplicht en de bewijslast van AVAS heeft.6 Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat ook de beleidgever een ambtshalve toetsingsplicht van de rechter heeft onderkend.
De Hoge Raad heeft zich tot op heden alleen uitgelaten over de vraag of er een zelfstandige onderzoeksplicht bestaat voor de inspecteur. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend, omdat het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb niet meebrengt dat de inspecteur gehouden is zich van de mogelijke aanwezigheid van feiten en omstandigheden die AVAS opleveren, te vergewissen voordat hij een verzuimboete oplegt.7 Wel heeft de Hoge Raad naar mijn mening erkend dat de inspecteur een ambtshalve toetsingsplicht heeft. De Hoge Raad overwoog namelijk allereerst dat het dossier geen aanwijzingen bevatte dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de verzuimboete op de hoogte was van feiten en omstandigheden die een beroep op AVAS zouden rechtvaardigen. Daaruit leid ik af, dat als die aanwijzingen er wél waren geweest, de inspecteur ambtshalve tot AVAS had moeten concluderen. Ik zie geen reden waarom dat voor de rechter anders zou zijn.8 In de feitenrechtspraak wordt de aanwezigheid van AVAS soms inderdaad ambtshalve getoetst, maar het komt ook voor dat de bewijslast bij betwisting door de inspecteur op de boeteling wordt gelegd.9
Ook in de jurisprudentie van het EHRM is steun te vinden voor het bestaan van een ambtshalve toetsingsplicht. In het arrest Västberga Taxi bevatte het nationale recht een dergelijke verplichting: bij zijn beslissing dat de schuldneutrale boetes in dat geval door de beugel konden, noemde het EHRM dit aspect nadrukkelijk.10
Naar mijn mening kan uit al het voorgaande worden geconcludeerd dat er met betrekking tot AVAS bij verzuimboetes een ambtshalve toetsingsplicht bestaat: op basis van het aanwezige procesdossier oordeelt in ieder geval de rechter over de aanwezigheid van enige verwijtbaarheid, ook zonder dat de boeteling daarover een stelling heeft ingenomen.11 Dit uitgangspunt geldt evenzeer wanneer een beroep op AVAS als perifere stelling wordt aangemerkt, zoals de Hoge Raad pleegt te doen. Dat betekent dat de hoofdregel voor perifere stellingen (die in dit geval zou voorschrijven dat de stelplicht en de bewijslast geheel op de boeteling rusten) toch niet op gaat.12 In mijn opvatting, waarin de verwijtbaarheid bij verzuimboetes impliciet wordt ingelezen in de delictsomschrijving, moet de rechter ambtshalve de aanwezigheid van ten minste enige schuld vaststellen.13 Daarin ligt de toetsing van de afwezigheid van AVAS reeds besloten.14