De rol van de paritas creditorum bij een faillissement
Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.4.5:2.4.5 Executiekosten
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.4.5
2.4.5 Executiekosten
Documentgegevens:
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686193:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981a, p. 856.
Onder het oude recht was dit overigens wel het geval: zie artikel 1185 sub 1 en 1195 sub 1 BW (oud).
Vgl. Asser/Van Mierlo & Krzeminski 2020/474.
Houwing 1974, p. 30 en 31.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij iedere executie worden kosten gemaakt, zoals bijvoorbeeld de kosten van het bevel om binnen twee dagen respectievelijk vierentwintig uur aan de executoriale titel te voldoen en1 de kosten voor de website waarop de verkoop bekend is gemaakt.2 De executiekosten dienen volgens artikel 3:277 lid 1 BW allereerst uit de opbrengst van de executoriale verkoop te worden voldaan. De schuldeisers hebben dus uitsluitend een gelijk recht op de netto-opbrengst (de opbrengst ná aftrek van de executiekosten).3 Aan een vordering op grond van gemaakte executiekosten is derhalve geen voorrangsrecht verbonden in de zin van artikel 3:277 BW.4 Wel gaat het om een bevoorrechte positie, een schuldeiser ontvangt immers betaling voor de overige schuldeisers.5
Als rechtvaardiging voor het in geval van gemaakte executiekosten aanvaarden van een uitzondering op de paritas creditorum kan worden gewezen op het volgende. Executiekosten worden niet uitsluitend gemaakt in het belang van de schuldeiser die het initiatief tot de uitwinning heeft genomen, maar strekken er tevens toe te voorkomen dat de schuldenaar zijn goederen aan het verhaal onttrekt. Verder heeft de uitwinning tot gevolg dat de opbrengst kan worden verdeeld tussen alle schuldeisers die aan de verdeling deelnemen. 6 Nu in beginsel alle schuldeisers meedelen in de opbrengst hebben zij ook een gezamenlijk belang bij de executie. Hierbij komt, dat indien de kosten verbonden aan de executie niet bij voorrang zouden worden voldaan, de animo om tot executie over te gaan vermoedelijk zal afnemen. Een schuldeiser zou dan uit economische overwegingen (te weten: ter vermijding van het maken van kosten waarvan het maar de vraag is of die voldaan worden) kunnen wachten tot een andere schuldeiser het voortouw neemt en tot beslaglegging overgaat. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de executie geacht moet worden het belang van de mede-schuldeisers te dienen. Dit belang rechtvaardigt de toegekende bevoorrechte positie.