Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20:Hoofdstuk 20 Samenvatting en conclusies
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20
Hoofdstuk 20 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498005:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze studie heb ik onderzocht of het nemo tenetur-beginsel in Nederlandse punitieve belastingzaken voldoende tot gelding komt. Omdat de uitdrukkelijke erkenning van dit beginsel in onze rechtsorde steunt op het door het EHRM in art. 6 EVRM gelezen recht tegen gedwongen zelfbelasting, is dit in wezen een vraag naar de verhouding tussen de uitleg en toepassing van dat recht door het EHRM enerzijds en de Nederlandse wetgever, rechter en uitvoerder anderzijds. Meer precies betreft de onderzoeksvraag of de Nederlandse uitleg en toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in punitieve belastingzaken voldoen aan de minimumwaarborgen die het EVRM ter zake stelt.
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik in het eerste deel van deze studie de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak bepaald en geordend. Daarbij stonden drie thema’s centraal, te weten de grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, het toepassingsbereik van dat recht en de schending ervan door de autoriteiten. In het tweede deel van deze studie heb ik onderzocht welke nemo tenetur-bescherming de boeteling en verdachte in punitieve belastingzaken krijgen van de Nederlandse wetgever, rechter en uitvoerder.
De slotsom is dat de wijze waarop in Nederland in punitieve belastingzaken bescherming tegen gedwongen zelfbelasting wordt geboden weliswaar op onderdelen afwijkt van de uitleg en toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting door het EHRM, maar dat dit recht daarin voldoende tot gelding komt. Dat geldt in ieder geval wanneer de HR als hoogste boete- en strafrechter alle zogenoemde wilsafhankelijk bewijs (verklaringen, bescheiden) uitsluit van de fiscale boete- en strafprocedure en de onduidelijkheden die de Straatsburgse rechtspraak omringen, worden meegewogen.
20.1 Inleiding20.2 EVRM-corpus20.3 Het recht op een behoorlijk strafproces20.4 Nemo tenetur-rechtspraak EHRM20.5 Grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting20.6 Toepassingsbereik zwijgrecht20.7 Toepassingsbereik niet-meewerkrecht20.8 Latente werking niet-meewerkrecht; bewijsverbod20.9 Ontoelaatbare dwang20.10 Procedurele waarborgen20.11 Belastend gebruik afgedwongen medewerking20.12 Publiek belang20.13 Informatieverstrekking ten dienste van de belastingheffing20.14 Sanctiedreiging en –oplegging20.15 De criminal charge in punitieve belastingzaken20.16 Geen doorwerking nemo tenetur in de heffingssfeer20.17 Rechten en waarborgen tegen gedwongen zelfbelasting in de fiscale boetesfeer20.18 Rechten en waarborgen tegen zelfbelasting in de fiscaal-strafvorderlijke sfeer20.19 Vooruitblik