T&C BW, commentaar op art. 7:628 BW:Geen arbeid, wel loon
T&C BW, commentaar op art. 7:628 BW
Geen arbeid, wel loon
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
1. Algemeen; Wwz en Wet meer zekerheid flexwerkers
Het artikel regelt in samenhang met art. 7:629 BW en de WAZO de vraag wanneer de werknemer zijn recht op loon behoudt wanneer hij geen arbeid verricht.
Wwz
Art. 7:628 BW is als gevolg van de Wwz gewijzigd. Deze wijziging valt uiteen in twee delen, die op verschillende momenten in werking zullen treden. Per 1 januari 2015 zijn lid 5 en 7 gewijzigd. Per die datum zijn ook (nieuw) lid 8 en 9 toegevoegd. Per 1 januari 2020 is lid 1 gewijzigd en is er een nieuw lid 9 gekomen, onder vernummering van het voormalige lid 9 tot lid 10. Hoewel deze wijzigingen dus al in 2015 in het Staatsblad stonden heeft het nog tot 1 januari 2020 geduurd voordat zij in werking traden. Daarbij lijkt de wetgever te zijn vergeten om ook de wijziging in art. 7:628 lid 1 die in de Verzamelwet SZW 2015 was opgenomen in werking te laten treden. Daarom staat er nu in de officiële tekst: “… tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen”.
De wetgever van de Verzamelwet SZW 2015 had dat willen vervangen door: “… behoudens voor zover de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.”
Hiermee werd volgens de wetgever verduidelijkt ten opzichte van de nu geldende tekst dat de werknemer zijn loon uitsluitend verliest voor zover hij niet arbeidt om een reden die voor zijn rekening komt (Verzamelwet SZW 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33988, nr. 2, p. 3 en nr. 3, p. 11)) en beoogde te verduidelijken wat volgens de regering ook al in de eerdere tekstversie van art. 7:628 lid 1 BW lag besloten (MvA, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 101-102).
Wet meer zekerheid flexwerkers
De Wet meer zekerheid flexwerkers, die op [datum] werd aangenomen door de Tweede Kamer, leidt tot verval van de mogelijkheid om de loonbetaling contractueel of bij cao uit te sluiten. De huidige leden 5 t/m 8 van art. 7:628 BW worden geschrapt. Het is nog niet bekend wanneer de wet in werking zal treden.
2. Naar tijdruimte vastgesteld loon (lid 1, aanvang)
Lid 1 kent de werknemer het recht toe op het naar tijdruimte vastgestelde loon. Daaronder is het periodiek uitgekeerde salaris te verstaan. Ook het privégebruik van de auto en de daarmee verband houdende vergoedingen zijn een arbeidsvoorwaarde die onder het regime van art. 7:628 BW vallen (ECLI:NL:GHDHA:2015:868). Op ander loon heeft hij doorgaans aanspraak krachtens lid 3 (zie aant. 9).
3. Overeengekomen arbeid (lid 1, vervolg)
Als een werknemer niet wordt toegelaten tot de bedongen arbeid, maar andere werkzaamheden krijgt aangeboden die hij niet verricht, heeft hij recht op loon krachtens art. 7:628 BW, tenzij die andere werkzaamheden een redelijk voorstel waren dat hij niet had mogen weigeren, hof Amsterdam 9 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5117. Hoewel de tekst dat doet vermoeden, is art. 7:628 BW niet alleen van toepassing op bereidheid tot het verrichten van de overeengekomen arbeid, maar ook op het verrichten van andere, passende, arbeid. Deze uitzondering is relevant voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers. Deze werknemers zijn niet langer in staat om de overeengekomen arbeid naar inhoud of omvang te vervullen, terwijl zij mogelijk evenmin nog langer aanspraak kunnen maken op loon krachtens art. 7:629 BW. In zo'n geval kan de werknemer aanbieden of verplicht zijn om slechts een gedeelte van de overeengekomen arbeidstijd te werken. Ook kan hij aanbieden of verplicht zijn om een andere (al dan niet al bestaande) functie te gaan vervullen. Als de werknemer een ongespecificeerd aanbod doet tot het verrichten van passende arbeid en zijn werkgever hem daartoe zonder deugdelijke gronden niet in staat heeft gesteld, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat het gaat om arbeid waarvoor een beloning passend is die strookt met de vastgestelde resterende verdiencapaciteit (HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7341, NJ 2006/534, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2005/99, m.nt. Vegter en SR 2005/44, m.nt. Fikkers (Goorhuis/Sons)). Ook na afloop van de loondoorbetalingsperiode ex. art. 7:629 lid 1 BW heeft de werknemer nog aanspraak op loon, maar die aanspraak omvat niet meer dan het loon dat past bij de door de werknemer aangeboden en voor zijn krachten en bekwaamheden berekende arbeid. De werkgever is steeds gehouden van zo’n aanbod gebruik te maken, tenzij dit redelijkerwijs van hem niet gevergd kan worden. De aanwezigheid van een dergelijke uitzonderingsgrond dient de werkgever te stellen en, zo nodig, te bewijzen. Als geen uitzonderingsgrond aanwezig is, heeft de werknemer in beginsel recht op het loon dat overeenkomt met de door hem aangeboden functie of arbeidstijd. Accepteert de werkgever het aanbod tot het verrichten van andere passende arbeid, dan kan dit resulteren in het afsluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst (inclusief een proeftijdbeding). Vgl. HR 3 februari 1978, NJ 1978/248, m.nt. Stein (Roovers/De Toekomst); HR 8 november 1985, NJ 1986/309, Prg. 1985/2391 (Van Haaren/Cehave); HR 13 december 1991, NJ 1992/441 (Goldsteen/Roeland); HR 3 maart 1995, NJ 1995/470, m.nt. Stein (Zwiers/Mestemaker); HR 17 oktober 1997, NJ 1998/130, JAR 1997/246 (Vendex/Van Roosmalen); HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3098, JAR 2001/238, JOL 2001/572 en JWB 2009/272 (Bons/Ranzijn). Uit art. 7:611 BW kan voortvloeien dat de werknemer gehouden is een voorstel tot het verrichten van ander werk te accepteren (HR 26 juni 1998, NJ 1998/767 en JAR 1998/199 (Van der Lely/Taxi Hofman)). Deze regel is in HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, JAR 2008/204, NJ 2011/185, m.nt. Heerma van Vos en SR 2008/54, m.nt. De laat (Stoof/Mammoet) gerelativeerd. Bij een opvolgende overeenkomst voor bepaalde tijd geldt als ‘overeengekomen arbeid’ de soort werkzaamheden die is afgesproken. Niet bepalend is dat er geen project meer loopt: zie HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4913, NJ 2002/283, JOL 2001/772, JWB 2001/383 en JAR 2002/19.
4. In redelijkheid voor rekening werknemer (lid 1, slot)
Sinds HR 10 november 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1656, NJ 1973/60, m.nt. Scholten (De Schelde I) wordt de regeling van art. 7:627 (oud), art. 7:628-629a BW een risicoregeling genoemd. In dat arrest en in daaropvolgende rechtspraak bepaalde de Hoge Raad dat de werknemer ook dan zijn recht behoudt, als het verrichten van de arbeid is verhinderd door omstandigheden die in beginsel overmacht zouden opleveren, maar die toch voor zijn rekening worden gebracht.
Dit deel van lid 1 is per 1 januari 2020 inwerking getreden. De wijziging hing samen met het vervallen van art. 7:627 BW. Met de wijziging van deze twee bepalingen wordt wat er eerst in art. 7:627 oud en 7:628 lid 1 BW, was geregeld in één artikel geregeld (art. 7:628 lid 1 BW) zonder dat dit in de praktijk tot een wezenlijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer zou leiden.
“Zo zal het in de toekomst nog steeds zo zijn dat deelname aan een staking (te onderscheiden van de werkwillige die verhinderd wordt te werken als gevolg van de staking), onwettig verzuim, te laat op het werk verschijnen, gevangenisstraf of voorlopige hechtenis voor risico van de werknemer komen. Bij één en ander wordt benadrukt dat de uitvoerige cassatierechtspraak rond de onderhavige risicoregeling — onder meer op het punt van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer — onder het nieuw voorgestelde recht onverkort van kracht blijft. Op grond van de voorgestelde formulering zal het aan de werkgever zijn om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten, alsmede dat het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt.” (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 87-89). A.R. Houweling, ‘Arbeidsrecht in nood: coronacrisis en de arbeidsrechter’, TAC 2020/4, p. 158-169, concludeerde dat de lagere rechtspraak afwijkt van het hiervoor vermelde uitgangspunt van de wetgever dat er geen inhoudelijke wijziging was beoogd met de tekstuele wijziging van lid 1. HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, JAR 2022/161, RAR 2022/110, JOR 2022/246, m.nt. H. Kreikamp, NJ 2022/314, m.nt. Verstijlen en TvI 2023/4, m.nt. Van Eeden-van Harskamp (UWV) heeft echter bevestigd dat “Met deze wijziging geen inhoudelijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer en van de rechtspraak van de Hoge Raad daarover is beoogd.”
Komend recht
Wet personeelsbehoud bij crisis
Deze wijzigingen waren volgens de wetgever nodig in het licht van de voorziene incorporatie van de zogenoemde Regeling calamiteiten WW in het BW. Deze regeling dient in het BW te worden opgenomen omdat art. 8 BBA gaat vervallen en de wetgever vreesde dat een werkgever anders de preventieve ontslagtoets zou kunnen omzeilen door de werknemer op non-actief te stellen. De kapstok daarvoor is in de vorm van lid 9 toegevoegd.
Minister Van Gennip heeft in mei 2024 de Wet personeelsbehoud bij crisis ter internetconsultatie ingediend. Deze is de beoogde opvolger van de Regeling calamiteiten WW. Het wetsontwerp is in 2026 kritisch ontvangen door de RvS met het advies dit niet zo in te dienen. Zie verder aant. 15.
Toch inhoudelijke wijziging?
Situatieve arbeidsongeschiktheid
Op de stelling dat de cassatierechtspraak onverkort van toepassing blijft, zijn relativeringen aangebracht. De reikwijdte daarvan is nog altijd niet te bepalen. Over het arrest-Mak/SGBO heeft de regering opgemerkt (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 128-129):
“Naar het oordeel van de regering zal het als gevolg van de gewijzigde formulering in de toekomst zo zijn dat de werkgever niet gehouden is het loon te betalen als bij situatieve arbeidsongeschiktheid de schuld uitsluitend of in hoofdzaak ligt bij de werknemer. Dat betekent dat als beiden schuld treft de werkgever gehouden zal zijn het loon te betalen.”
HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3057, NJ 2007/332, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/91, m.nt. Verhulp en Ondernemingsrecht 2003/19, m.nt. Grapperhaus (Van der Gulik/Vissers) bepaalde dat een schorsing voor rekening van de werkgever komt, ongeacht de vraag of de werknemer tot de schorsing aanleiding heeft gegeven. In de Eerste Kamer heeft de regering afstand genomen van dit arrest, onder meer door erop te wijzen dat dit ook al haar standpunt was ten tijde van Flexibiliteit en zekerheid (MvA, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 101-102):
“In situaties van schorsing door de werkgever biedt het wetsvoorstel dan ook ruimte om over de periode waarin de werknemer bij wijze van disciplinaire maatregel is geschorst, tevens het loon niet betalen omdat dit dan redelijkerwijs voor risico van de werknemer komt. Dat impliceert dat over disciplinaire maatregelen ook bij schriftelijke overeenkomst (individueel of collectief) afspraken kunnen worden gemaakt, zonder dat zulks uitdrukkelijk bij wet is bepaald. Dergelijke afspraken dienen dan slechts ter invulling en bevestiging van hetgeen in de wet al is afgesproken over de risicoverdeling en gelden niet als afwijking daarvan. Uiteindelijk is en blijft het aan de rechter om te beoordelen of bij een specifieke schorsing dan ook daadwerkelijk sprake was van een niet verrichten van de bedongen arbeid door een oorzaak die redelijkerwijs voor risico van de werknemer behoort te komen.”
5. Categorieën risico’s (lid 1, slot)
a. Nietige beëindiging
Als de werkgever de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden en zonder toestemming van het UWV eenzijdig beëindigt en de werknemer zich bereid heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten, kan deze laatste aanspraak maken op doorbetaling van loon.
Loonaanspraak bij in hoger beroep teruggedraaide vernietiging
Als de kantonrechter in eerste aanleg de opzegging heeft vernietigd, maar het hof oordeelt dat deze vernietiging ten onrechte is uitgesproken, doet zich een complicatie met betrekking tot art. 7:628 BW voor: het hof mag de arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht beëindigen, waardoor er in beginsel ook een aanspraak op loondoorbetaling bestaat over de periode vanaf de vernietigde opzegging tot het moment waarop het hof de overeenkomst alsnog beëindigt. Veelal werkt de werknemer dan hangende het hoger beroep niet, maar houdt zich wel beschikbaar. De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2018:1209, JAR 2018/203, m.nt. Koole, RAR 2018/133, TRA 2018/88, m.nt. Dekker, JIN 2018/150, m.nt. Huisman en RvdW 2018/892 geoordeeld dat er in zo’n geval met toepassing van art. 7:628 BW kan worden geoordeeld dat er geen recht is op loon. Dit is het uitgangspunt aangezien de werknemer achteraf bezien — naar aan te nemen valt — toch terecht op staande voet is ontslagen. Uitzondering is denkbaar bijvoorbeeld wanneer de werknemer geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt, of andere omstandigheden van het geval, zoals de vraag waarom de rechter in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld. Deze regel geldt evenzeer voor twee te onderscheiden perioden:
1.
tussen ontslag en uitspraak eerste aanleg; en
2.
tussen uitspraak eerste aanleg en uitspraak hoger beroep.
Verhouding tot Van der Gulik/Vissers
Deze situatie verschilt van het arrest van 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3057, NJ 2007/332, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/91, m.nt. Verhulp en Ondernemingsrecht 2003/19, m.nt. Grapperhaus (Van der Gulik/Vissers), aldus de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2018:1209, JAR 2018/203, m.nt. Koole, RAR 2018/133, TRA 2018/88, m.nt. Dekker, JIN 2018/150, m.nt. Huisman en RvdW 2018/892 aangezien het hier gaat om een ontslag op staande voet, dat door de wet is gelegitimeerd, terwijl bij schorsing, zoals aan de orde in Van der Gulik, een dergelijke wettelijke legitimatie ontbreekt.
b. Normale bedrijfsrisico’s
Deze risico’s worden doorgaans aan de werkgever toegerekend. Gedacht kan worden aan: ziekte of overlijden van de werkgever, weersomstandigheden die het werk onmogelijk maken, onvoldoende orders of onvoldoende grondstoffen om te produceren, stagnatie in de afzet, min of meer normale bedrijfsstoringen en brand of explosies in een daarvoor gevoelig bedrijf. Zie onder andere HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4913, NJ 2002/283 en JAR 2002/19, alwaar het niet voorhanden zijn van een nieuw project in beginsel voor rekening en risico van de werkgever dient te komen. Ook het niet beschikbaar zijn van werk na een buitenlandperiode valt onder het werkgeversrisico; zie Rb. Rotterdam 2 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1553.
c. Exceptionele risico’s, zoals onwerkbaar weer
Exceptionele risico’s als overstroming, noodtoestand of oorlog, komen soms wel en soms niet voor rekening van de werkgever. Voor de vraag of er sprake is van een exceptioneel risico dat voor rekening van de werkgever komt, is onder meer de aard van het bedrijf van belang. In het kader van de deeltijd-WW is door de Stichting van de Arbeid — met steun van de minister van SZW — opgemerkt dat de kredietcrisis een werknemersrisico is; zie Van Slooten & Verhulp, TRA 2009/77. Zie voor het niet verrichten van de overeengekomen arbeid dat het gevolg is van buitengewone natuurlijke omstandigheden de Regeling onwerkbaar weer (Stcrt. 2019, 70095, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-70095.html) en aant. 15 hierna.
d. Collectieve acties
Stakers
Stakers hebben geen recht op loon gedurende de tijd dat zij deelnemen aan een collectieve actie. Zij ontvangen een uitkering, mits lid, uit de stakingskas van de vakbond. Bij een publieksvriendelijke actie, zoals het gratis laten meerijden in de bus, geldt dat een loonkorting mag worden doorgevoerd, ondanks dat de actievoerende werknemers wel hebben gewerkt. De schade die de werkgever als gevolg van de acties heeft geleden (lees: de misgelopen kaartopbrengst) kan dan in aanmerking worden genomen (maar is niet voor 100% verhaalbaar zolang het een rechtmatige staking is), aldus hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2016:96, RAR 2016/63, JIN 2016/97, m.nt. Vlodrop en JAR 2016/52.
Werkwilligen
Soms brengt een staking of andersoortige collectieve actie mee dat werkwilligen niet tot de arbeid worden toegelaten. De Hoge Raad onderscheidt twee typen van collectieve actie. Betreft het een gewone staking (georganiseerd door vakbonden om onderhandelingen onder druk te zetten), dan is dit risico normaal gesproken voor rekening van de werkwillige werknemer. Betreft het daarentegen een wilde actie (die een protestkarakter heeft, doorgaans van korte duur is en niet door vakbonden is georganiseerd), dan komt dit doorgaans voor rekening van de werkgever. Hiervoor is vereist dat de werkwillige bewijst dat hij als zodanig moet worden beschouwd en dat hij ten opzichte van de groep waarvan de wilde actie uitgaat, een buitenstaander is (HR 7 mei 1976, NJ 1977/55, m.nt. Scholten (Wielemaker/de Schelde)). Van deze twee typen zijn tussenvormen denkbaar, waarbij steeds aan de hand van het arrest-Wielemaker/de Schelde een oplossing gevonden dient te worden. Het niet kunnen verrichten van arbeid ten gevolge van een arbeidsgeschil in een andere bedrijfstak komt voor rekening van de werkgever (Ktr. Breda 17 april 1996 en 29 mei 1996, Prg. 1996/4631).
Uitgeleende werknemers
Een werknemer die is uitgeleend aan de bestaakte onderneming en door de staking niet kan werken, dient in beginsel bij georganiseerde stakingen het risico daarvan te dragen, maar volgens de Hoge Raad kan uit een bepaalde arbeidsovereenkomst een andere risicoverdeling volgen (HR 17 november 1978, NJ 1979/184, m.nt. Stein (De Raaij/Rijn-Metaal)).
e. Betwiste arbeidsgeschiktheid
Een werknemer die zichzelf niet arbeidsongeschikt acht en zich bereid verklaart zijn arbeid te verrichten, heeft aanspraak op loon wanneer achteraf komt vast te staan dat hij inderdaad arbeidsgeschikt was. Dat geldt ook wanneer het UWV meent dat de werknemer arbeidsongeschikt is en de werkgever op die grond weigert de werknemer toe te laten (HR 23 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6295, NJ 2000/585, m.nt. Stein en JAR 2000/163, m.nt. Verhulp). Deze regel geldt ook wanneer de werknemer zijn visie op zijn geschiktheid de werkzaamheden te hervatten op geen enkele wijze medisch heeft onderbouwd (HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0904, NJ 2001/333 en JAR 2001/80, m.nt. Riphagen). Het nalaten van onderzoek naar de aanwezigheid van passende arbeid komt voor rekening van de werkgever, ook als daaruit blijkt dat er geen passende arbeid is (HR 17 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0175, NJ 2006/533, JAR 2003/41, m.nt. Vegter en AV&S 2003, p. 99, m.nt. Bouwens). Als de werkgever indicaties heeft dat de werknemer ziek is, maar hem niet ziek meldt, valt het niet-werken in de risicosfeer van de werkgever (Rb. Gelderland 13 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:7225).
f. Schorsing of op non-actiefstelling
Een schorsing of op non-actiefstelling komt altijd voor rekening van de werkgever, ook als de werknemer aanleiding heeft gegeven tot de maatregel (HR 21 maart 2003, NJ 2007/332, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/91, m.nt. Verhulp en Ondernemingsrecht 2003/19, m.nt. Grapperhaus, (Van der Gulik/Vissers en partners)). Een afwijkend oordeel betreft Ktr. Zeeland-West-Brabant 16 januari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BY8467, RAR 2013/59 en JAR 2013/43 over een op non-actief gestelde directeur die verdacht wordt van ernstige misdrijven. Verder is ten tijde van de behandeling van de Wwz (MvA, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 101-102) gesteld dat in ieder geval onder het gewijzigde lid 1 schorsing zonder loon mogelijk is. De regering suggereert afstand te nemen van het arrest-Van der Gulik/Vissers en partners. Ktr. Amsterdam 19 juni 2017 onderkent dit, maar oordeelt dat die uitzondering niet kan worden toegepast zolang het gewijzigde art. 7:628 lid 1 BW nog niet in werking is getreden; ECLI:NL:RBAMS:2017:4273 en ECLI:NL:RBAMS:2017:4433, JAR 2017/191. Ook de Hoge Raad gaat in ECLI:NL:HR:2018:1209, JAR 2018/203, m.nt. Koole, RAR 2018/133, TRA 2018/88, m.nt. Dekker, JIN 2018/150, m.nt. Huisman en RvdW 2018/892 uit van de toepasselijkheid van het arrest.
Slechts in uitzonderingsgevallen is matiging van de loonvordering van de op non-actief gestelde werknemer op zijn plaats (HR 1 juli 1993, NJ 1993/666, m.nt. Stein en JAR 1993/177 (Chicopee/Van Gerwen)). Van een schorsing door de werkgever moet worden onderscheiden de situatie dat de werknemer niet mag werken op grond van een wettelijk verbod ingevolge de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; Ktr. Delft 15 december 2005, RAR 2006/33.
g. Situatieve arbeidsongeschiktheid
Een werknemer heeft ook recht op loondoorbetaling als hij situatief arbeidsongeschikt is als gevolg van arbeidsomstandigheden waarvan de oorzaak in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen en deze voor hem zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. De werknemer moet alle medewerking verlenen aan het wegnemen van de oorzaak (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC7669, JAR 2008/188, m.nt. Vegter en TRA 2008/5, m.nt. Buijs (Mak/SGBO)).
h. Beschikbaarheidsdiensten
Het beschikbaar zijn van de werknemer, wordt al snel als arbeid aangemerkt in de zin van de Richtlijn 2003/88/EG. Dat daarvan sprake is, wil nog niet zeggen dat er ook recht is op loon. Dat is afhankelijk onder meer van de arbeidsovereenkomst. Verder is toegestaan om arbeid in deze vorm anders te belonen dan de ‘periode van daadwerkelijke arbeidsprestatie’ (hof ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8927, JAR 2012/34, m.nt. Franssen).
i. Vrije invulling van het werk
De eis om zelf voor werk te zorgen kan niet zonder meer aan een werknemer worden gesteld, ook niet in een geval waarin de werknemer in het kader van het ‘nieuwe werken’ een zeer grote mate van vrijheid heeft (Ktr. Haarlem 13 januari 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BP1395).
j. Corona
Er is wisselende rechtspraak over de verdeling van het loonrisico als gevolg van Corona. Daarbij is door Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2024,ECLI:NL:GHARL:2024:1053, JAR 2024/89, overwogen:
“… Het hof acht het niet ondenkbaar dat zónder de NOW-regeling het loonrisico bij dergelijke calamiteiten gedurende enige tijd voor rekening van beide partijen zou komen, zij het — zoals ook het geval is bij toepassing van de Rwt — niet voor beide partijen in dezelfde mate.”
k. Verrekening met eerder opgebouwde uren
Een urenbank waarin meer- en minderuren met elkaar worden verrekend, valt niet onder het regime van art. 7:628 BW (Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2024,ECLI:NL:GHARL:2024:1053, JAR 2024/89). Rb. Oost-Brabant 4 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3204, JAR 2025/174, oordeelde dat de werkgever niet in strijd met art. 7:628 handelde door werknemers te verplichten het spaarurenmodel in te zetten bij onwerkbaar weer.
l. Emotionele toestand
Volgens Rb. Rotterdam 7 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:5962, JAR 2023/228 mag “van een goed werkgever worden verwacht dat zij een (zeer jonge) werknemer enige tijd en ruimte gunt om dergelijk slecht nieuws te verwerken, onder doorbetaling van het loon.”
m. Onderzoek
Hof Amsterdam 4 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1555, JAR 2023/233 wees een recht op loon af over de periode van een strafrechtelijk onderzoek waarbij de Schipholpas werd ingetrokken, hoewel de werknemer werd vrijgesproken.
6. Bereidheid (lid 1, algemeen)
Voor het slagen van een loonvordering ex art. 7:628 BW is noodzakelijk dat de werknemer bereid is de bedongen arbeid te verrichten (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7037, NJ 2004/269, JWB 2003/481 en JAR 2004/14, m.nt. Verhulp (Hema/P.)). Vroeger stelde art. 7A:1638d BW deze eis expliciet. Deze eis is niet teruggekeerd in art. 7:628, maar de wetgever heeft daarmee geen materiële wijziging beoogd (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23438, nr. 3, p. 25). Ondanks dat bereidheid als uitgangspunt dient te gelden, is niet uitgesloten dat ondanks het ontbreken van bereidheid toch aanspraak op loon bestaat, te weten als toch moet worden aangenomen dat de arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7037, NJ 2004/269,JWB 2003/481 en JAR 2004/14, m.nt. Verhulp). Volgens Conclusie A-G De Bock bij HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, “is het niet aannemelijk dat de Hoge Raad de deur wijd open heeft willen zetten voor uitzonderingen op de regel dat de werknemer zich bereid moet verklaren de bedongen arbeid te verrichten.”
Soms kan een werknemer ook zijn verplichting tot arbeid opschorten op grond van art. 6:262 BW; zie HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7930, JAR 2006/263, RvdW 2006/908, SR 2006/78, m.nt. Ruizeveld en JWB 2006/319. De bereidheid van de werknemer moet aanwezig zijn gedurende de tijd waarover hij loon vordert (HR 1 februari 1952, NJ 1953/366). De bereidheid kan enige tijd afwezig zijn. Als de werknemer zich vervolgens weer bereid toont, dan heeft hij vanaf dat moment weer recht op loon (HR 12 december 1952, NJ 1953/603). De enkele omstandigheid dat de werknemer elders werkzaam is (geweest), brengt niet mee dat hij niet (meer) bereid is (geweest) de oorspronkelijk bedongen arbeid te verrichten (HR 5 januari 1979, NJ 1979/207, m.nt. Stein (Swaen/van Hees)). Aanvullende omstandigheden kunnen tot de conclusie leiden dat de bereidheid niet meer bestaat en dat de werknemer geen aanspraak kan maken op loon. Zo’n omstandigheid is niet het feit dat de werknemer bij zijn nieuwe werkgever heeft nagelaten te bedingen dat hij op eerste afroep weer voor zijn oude werkgever zal gaan werken (HR 13 december 1985, NJ 1986/293, m.nt. Stein). Zo’n omstandigheid is evenmin aanwezig als de werknemer voor het inroepen van de vernietiging heeft laten blijken dat hij ook zijnerzijds de arbeidsovereenkomst wil beëindigen. De werkgever dient de aanwijzingen te stellen en bij betwisting te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de bereidheid van de werknemer ontbrak (HR 30 mei 1997, NJ 1997/611, JAR 1997/142). Een eenmaal uitgesproken bereidheid hoeft niet herhaald te worden — bijvoorbeeld na ziekte van de werknemer —, tenzij de werknemer had moeten begrijpen dat de werkgever naderhand wel bereid is de werknemer toe te laten tot de arbeid (HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9560, NJ 2001/264, m.nt. Stein, JAR 2001/26, JWB 2001/26, Ondernemingsrecht 2001/24 en JOL 2001/49).
Geen bereidheid bij aanvaarding andere baan met gelijke arbeidsvoorwaarden
In HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, NJB 2022/1361, JAR 2022/161, RAR 2022/110, RI 2022/76, JOR 2022/246, m.nt. Kreikamp, NJ 2022/314, m.nt. Verstijlen en TvI 2023/4, m.nt. Van Eeden-van Harskamp (UWV) is geoordeeld dat de bereidheid ontbreekt als de werknemer een andere baan tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden heeft geaccepteerd:
"Indien een werknemer na faillietverklaring van zijn werkgever bij een doorstart van diens onderneming of een deel daarvan tegen gelijke arbeidsvoorwaarden in dienst treedt van de verkrijger, mag de curator daaruit afleiden dat de werknemer niet langer bereid is arbeid bij de gefailleerde werkgever te verrichten. De oorzaak van het niet langer verrichten van arbeid bij de gefailleerde werkgever behoort in zo’n geval in redelijkheid niet voor rekening van de gefailleerde te komen. Het door het onderdeel bepleite tegengestelde uitgangspunt zou tot gevolg hebben dat een werknemer in zo’n geval in de periode vanaf de datum van indiensttreding bij de verkrijger tot het einde van de wettelijke opzegtermijn die geldt voor de opzegging door de curator, zowel aanspraak heeft op loonbetaling door de curator als op loonbetaling door de verkrijger. Daarvoor bestaat geen rechtvaardiging."
Verhouding tot opschortingsrecht
Als een werknemer niet reageert op een oproep om weer te komen werken maar hij heeft een loonvordering op de werkgever, dan kan hij zich op zijn opschortingsrecht ex art. 6:262 lid 1 BW beroepen. In dat geval heeft hij — ondanks het formeel ontbreken van bereidheid — wel recht op loon (Hof ’s-Hertogenbosch 19 juli 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2338). Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2026:1334, over een vrachtwagenchauffeur die de auto onder zich hield.
Verhouding tot beroep op de klachtplicht
De Hoge Raad heeft in het arrest van 20 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1281) geoordeeld dat de klachtplicht ex art. 6:89 BW ook van toepassing is op aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, waaronder loonvorderingen. Gelet op de strekking en bewoordingen van art. 6:89 BW, ziet art. 6:89 BW slechts op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht. Een beroep op het ontbreken van bereidheid staat in beginsel los van een beroep op de klachtplicht. Meestal is de bereidheidsvraag (alleen) aan de orde indien er in het geheel geen arbeid is verricht; dan geldt de klachtplicht niet. Omgekeerd geldt de klachtplicht in potentie wel en de bereidheid waarschijnlijk niet indien het verkeerde loon is betaald.
7. Matiging (lid 1, algemeen)
Toepassing van art. 7:628 BW na een vernietigd ontslag kan tot zeer aanzienlijke loonvorderingen leiden. In een reeks arresten vanaf 1979 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter op grond van analoge toepassing van art. 7:680 lid 5 de bevoegdheid toekomt om sommige loonvorderingen te matigen (HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7251, NJ 1979/207, m.nt. Stein (Swaen/van Hees)). Die bevoegdheid is nu geregeld in art. 7:680a BW. Vóór inwerkingtreding van Flexibiliteit en zekerheid was afwijking van het artikel bij schriftelijke overeenkomst qua duur onbeperkt toegestaan.
8. Geldelijke uitkering (lid 2)
Het loon waarop de werknemer krachtens art. 7:628 lid 1 en 3 BW aanspraak kan maken, dient te worden verminderd met geldelijke uitkeringen uit hoofde van een (wettelijke) verzekering of van een fonds (lid 2). Men kan hierbij denken aan een WW-uitkering. Daarop kan ook aanspraak bestaan wanneer de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. Een ander voorbeeld betreft de uitkering van cao-fondsen, zoals bij vorstverlet in de bouw (zie ook aant. 15).
9. Niet naar tijdruimte vastgesteld loon (lid 3)
Op ander geldloon dan naar tijdruimte vastgesteld heeft de werknemers krachtens lid 3 aanspraak, als dit loon afhankelijk is van de uitkomst van de te verrichten arbeid en niet van andere elementen, zoals de winst van de werkgever (HR 31 oktober 1941, NJ 1942/198 en HR 24 september 1999, NJ 1999/737, m.nt. Stein, JAR 1999/214 (Welgelegen/Bonden)). Op grond van deze bepaling bestaat ook recht op doorbetaling van overwerkvergoeding (Ktr. Lelystad 20 december 2000, JAR 2001/60 en Ktr. Sittard 5 september 2001, JAR 2001/209), maar weer niet als vaststaat dat er geen overwerk meer is (hof Den Haag 22 december 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ6562, NJF 2007/82). De Hoge Raad heeft overigens de vrije kost en inwoning wel als loon in de zin van art. 7:628 BW aangemerkt (HR 20 oktober 1978, NJ 1979/80, m.nt. Stein). In Rb. Midden-Nederland Utrecht 28 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5077, werden een afsprakenbonus en omzetprovisie toegewezen op grond van lid 3. Bij moderne variabele beloningsvormen, waarin verschillende targets gelden, is het loon niet geheel afhankelijk van de uitkomst van de individueel verrichte arbeid. In een dergelijk geval past hof Amsterdam (hof Amsterdam 27 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2034, JAR 2010/142) art. 7:628 lid 3 BW toe. Zie voor toekenning bonus over opzegtermijn krachtens art. 7:628 lid 3 BW: hof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2236, RAR 2014/149, JIN 2014/168, m.nt. Janssen en JAR 2014/227, m.nt. Wiersma. In ECLI:NL:GHSHE:2015:1792, RAR 2015/124 en JIN 2015/144, m.nt. Van Osch werd geoordeeld dat ook bonus gedurende periode van niet werken verschuldigd was, te berekenen over de gemiddelde bonus in de voorgaande drie jaren. Volgens Ktr. Maastricht (ECLI:NL:RBLIM:2015:2349) dienen regelmatige overwerkdiensten en vakantiebijslag ook op grond van lid 3 te worden uitbetaald. Rb. Zeeland West-Brabant 21 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4303, RAR 2023/143 gaat uit van “een gebruikelijke en redelijke referteperiode van drie jaar.”
10. Bespaarde onkosten (lid 4)
Het loon waarop de werknemer krachtens art. 7:628 lid 1 en 3 BW aanspraak kan maken, dient tevens te worden verminderd met bespaarde onkosten. Het is onduidelijk hoe ver deze bepaling reikt. Verdedigbaar is dat hieronder alle kosten vallen die de werknemer bespaart doordat hij niet arbeidt (bijv. de benzine tijdens de reis naar het werk). Een andere opvatting wil het bereik van de bepaling beperken tot die kosten waarvoor de werknemer een vergoeding ontvangt.
Inkomsten
Inkomsten die de werknemer elders heeft verworven (bijvoorbeeld bij een andere werkgever), komen niet voor aftrek in aanmerking (HR 5 januari 1979, NJ 1979/207, m.nt. Stein (Swaen/van Hees)).
11. Afwijking voor de eerste zes maanden (lid 5)
Het betreft hier de vanaf 1 januari 2015 geldende wettekst. Het is slechts voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst mogelijk schriftelijk (daaronder begrepen per cao) van art. 7:628 lid 1 BW af te wijken ten nadele van de werknemer. Het woord ‘voor’ brengt tot uitdrukking dat het niet mogelijk is om gedurende de eerste zes maanden af te wijken voor een langere periode.
Afwijking kan volgens de MvT bijvoorbeeld van belang zijn bij nieuwe activiteiten, bij uitbreiding van bestaande activiteiten of bijvoorbeeld in het kader van seizoenswerk (zoals in de horeca). In art. 7:691 lid 7 BW is geregeld dat er in geval van een uitzendovereenkomst schriftelijk kan worden afgeweken van art. 7:628 lid 1 BW voor ten hoogste de eerste 26 gewerkte weken (weken waarin door de werknemer arbeid is verricht). Deze termijn kan op grond van lid 8 onderdeel a, bij collectieve arbeidsovereenkomst worden verlengd tot ten hoogste 78 weken. Verwezen wordt naar de toelichting op art. 7:691 BW.
Na zes maanden is afwijking alleen onder voorwaarden bij cao of regeling mogelijk, zo bepaalt lid 7. Voor de eerste zes maanden is art. 7:628 BW dus semi-dwingend recht, voor de periode daarna geclausuleerd driekwartdwingend recht. Niet iedere afwijking is toegestaan, mits aan het vormvereiste is voldaan. Vgl. HR 19 juni 1959, NJ 1959/588 (Oranje Nassau Mijnen/Scheffer): uitsluiting van art. 7:628 BW na een nietig ontslag kan in strijd met de strekking van een dwingende wetsbepaling zijn. Men kan alleen van lid 1 afwijken in voor de werknemer negatieve zin. Onder het voor 1 januari 2015 geldende recht was het mogelijk om ook van lid 2-4 af te wijken. De tekst van lid 5 luidde toen als volgt:
“Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer.”
12. Berekening periode lid 5 bij contract voor bepaalde tijd (lid 6)
Lid 6 regelt dat de periode van zes maanden, als bedoeld in lid 5, niet iedere keer opnieuw begint bij een opvolgende arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:668a BW. Men dient de duur van opvolgende arbeidsovereenkomsten bij elkaar op te tellen om te bezien of de periode van zes maanden al is verstreken. Hoewel de bepaling per 1 januari 2015 in werking is getreden, is deze precies gelijkluidend aan de oude versie van lid 6.
13. Afwijking na zes maanden (lid 7)
Voor zover de periode als bedoeld in lid 5 is verstreken, is afwijking alleen maar bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan mogelijk, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Ktr. Hilversum 1 februari 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1661, JAR 2006/57, m.nt. Beltzer en RAR 2006/65 verklaarde — gelet op bijzondere omstandigheden — een afwijking bij cao in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Met ingang van 1 januari 2015 is afwijking van de loondoorbetalingsverplichting alleen toegestaan als in de cao of regeling is bepaald welke functies worden verlengd en de aan die functies verbonden werkzaamheden incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang hebben. De bedoeling van deze nadere voorwaarden is om het gebruik van nuluren- en min/max-contracten terug te dringen. Een voorbeeld van een functie waarvoor dit geldt is die van invalkracht.
Geëindigde cao
Uit Ktr. Rotterdam 30 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3185, JAR 2018/139 volgt dat een incorporatie van een geëxpireerde cao waarin van art. 7:628 lid 1 BW wordt afgeweken, geen geldige afwijking is. Het ging hier om de minuren-systematiek uit de Horeca-cao, die een afwijking is van de hoofdregel van art. 7:628 BW.
14. Ontheffingsmogelijkheid van lid 5, 6 en 7 (lid 8)
Lid 8 regelt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan bepalen dat op bepaalde bedrijfstakken, of onderdelen daarvan, lid 5, 6 of 7 niet van toepassing is. Aangekondigd is dat voor de zorgsector een dergelijke gedeeltelijke ontheffing zal gaan gelden.
15. Art. 8 BBA, het wetsontwerp Personeelsbehoud bij crisis, de calamiteitenregeling WW en de regeling onwerkbaar weer (lid 9)
Art. 8 BBA verbiedt de werkgever om de overeengekomen arbeidstijd eenzijdig te verkorten en beoogt te voorkomen dat het loon als gevolg daarvan afneemt. De werkgever kan gedurende een korte periode ontheffing van art. 8 BBA krijgen, bijvoorbeeld wanneer zich een stagnatie in de productie voordoet, die niet tot het normale bedrijfsrisico hoort. Heeft de werkgever een dergelijke ontheffing verkregen, dan kan de werknemer meestal aanspraak maken op een WW-uitkering. Op grond van lid 9 kan de Minister een regeling vaststellen waarin wordt geregeld dat onder omstandigheden de loondoorbetalingsverplichting op grond van art. 7:628 lid 1 BW niet (onverkort) geldt. Dit is de per 1 januari 2020 inwerking getreden Regeling onwerkbaar weer (Stcrt. 2019, 70095). Kern van deze regeling is dat in situaties van onwerkbaar weer er geen loondoorbetalingsverplichting bestaat. Wat onwerkbaar weer is wordt in detail uitgewerkt in de regeling (zo is een regendag een dag waarop het 300 minuten regent; na 19 regendagen in een jaar is de werkgever ontheven van zijn loondoorbetalingsplicht). Als sprake is van onwerkbaar weer is geen ontheffing ex art. 8 lid 3 BBA nodig. Daarnaast ziet de regeling ook op andere situaties waarin niet gewerkt kan worden dan situaties als gevolg van onwerkbaar weer. Blijkens art. 5 van deze Regeling onwerkbaar weer geldt dan het volgende:
"De werkgever is vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht indien het niet verrichten van de overeengekomen arbeid het gevolg is van andere buitengewone omstandigheden dan buitengewone natuurlijke omstandigheden, voor zover ten gevolge daarvan een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945."
Dit betekent dat indien en voor zover een werkgever een ontheffing heeft wegens werktijdverkorting hij geen loondoorbetalingsplicht heeft. De werkgever kan sinds 1 oktober 2021 weer in aanmerking komen voor een dergelijke ontheffing krachtens de Regeling Werktijdverkorting (Stcrt. 2021, 42158). Wel kan de werknemer in aanmerking komen voor een WW-uitkering, maar niet iedere werknemer komt daarvoor in aanmerking, bijvoorbeeld wegens een te kort dienstverband. Bovendien vergoedt de WW niet meer dan het maximum dagloon of een evenredig percentage daarvan.
Voor 1 januari 2020 gold dat de werkgever krachtens art. 7:628 lid 2 BW de WW in mindering mocht brengen op het door hem verschuldigde loon. De werknemer merkte daar weinig van want hij kreeg nog steeds zijn volledige loon en de werkgever profiteerde van de WW-uitkering. Zie voor jurisprudentie onder het oude recht: Ktr. Lelystad 8 februari 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BV7759, JAR 2012/100, m.nt. Vegter, RAR 2012/84 en TRA 2012/57, m.nt. De Laat en Rb. Zeeland-West-Brabant 16 januari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:139, JAR 2019/47.
Niet werken als gevolg van de Coronacrisis; de NOW
Sinds maart 2000 bestond de NOW-loonkostensubsidie. Op 25 februari 2022 kondigde het kabinet aan dat de NOW niet meer beschikbaar is met ingang van het tweede kwartaal van 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 35420, nr. 478). De NOW nam als uitgangspunt dat het risico op loondoorbetaling als gevolg van Corona bij de werkgever lag en dat deze daarom in aanmerking kwam voor een loonkostensubsidie.
Komend recht
Het is nog altijd de bedoeling dat art. 8 BBA zal vervallen in het kader van de Wwz. De beoogde inwerkingtredingsdatum was ooit 1 april 2016 en is nu onduidelijk. In plaats daarvan moet de Regeling calamiteiten WW komen (zie Stb. 2014, 274). Per 1 januari 2020 is wel de Regeling onwerkbaar weer in werking getreden (Stcrt. 2019, 70095). De basis voor deze regeling is het eveneens per 1 januari 2020 in werking getreden (lid 9). De Regeling Werktijdverkorting die aan het begin van de Coronacrisis was ingetrokken, is weer geopend per 1 oktober 2021 (Stcrt. 2021, 42158), maar niet voor Corona-gevallen. Minister Van Gennip heeft in mei 2024 de Wet personeelsbehoud bij crisis (WPC) ter internetconsultatie ingediend. Deze is de beoogde opvolger van de Regeling calamiteiten WW. Het wetsvoorstel WPC laat nog altijd op zich wachten. De RvS adviseerde in februari 2026 om het nog niet in te dienen bij de Tweede Kamer (zie over het conceptvoorstel W.A. Zondag, ‘Wetsvoorstel Wet personeelsbehoud bij crisis’, TRA 2025/58).
16. Afwijking is nietig (lid 10)
Deze tekst is opgenomen om te verduidelijken dat dit alleen geldt voor bedingen die ten nadele van de werknemer strekken (Kamerstukken I 2013/14, 33818, E, p. 6). Zie voor een toepassing hiervan: Rb. Oost-Brabant 13 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:690.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C BW, commentaar op art. 7:628 BW
Geen arbeid, wel loon
J.M. van Slooten, actueel t/m 01-09-2025
01-09-2025
01-01-2020 tot: -
J.M. van Slooten
T&C BW, commentaar op art. 7:628 BW
Corona (V)
Arbeidsrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Sociale zekerheid algemeen (V)
loondoorbetaling
arbeidsovereenkomst
loon
corona
Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 628
1. Algemeen; Wwz en Wet meer zekerheid flexwerkers
Het artikel regelt in samenhang met art. 7:629 BW en de WAZO de vraag wanneer de werknemer zijn recht op loon behoudt wanneer hij geen arbeid verricht.
Wwz
Art. 7:628 BW is als gevolg van de Wwz gewijzigd. Deze wijziging valt uiteen in twee delen, die op verschillende momenten in werking zullen treden. Per 1 januari 2015 zijn lid 5 en 7 gewijzigd. Per die datum zijn ook (nieuw) lid 8 en 9 toegevoegd. Per 1 januari 2020 is lid 1 gewijzigd en is er een nieuw lid 9 gekomen, onder vernummering van het voormalige lid 9 tot lid 10. Hoewel deze wijzigingen dus al in 2015 in het Staatsblad stonden heeft het nog tot 1 januari 2020 geduurd voordat zij in werking traden. Daarbij lijkt de wetgever te zijn vergeten om ook de wijziging in art. 7:628 lid 1 die in de Verzamelwet SZW 2015 was opgenomen in werking te laten treden. Daarom staat er nu in de officiële tekst: “… tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen”.
De wetgever van de Verzamelwet SZW 2015 had dat willen vervangen door: “… behoudens voor zover de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.”
Hiermee werd volgens de wetgever verduidelijkt ten opzichte van de nu geldende tekst dat de werknemer zijn loon uitsluitend verliest voor zover hij niet arbeidt om een reden die voor zijn rekening komt (Verzamelwet SZW 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33988, nr. 2, p. 3 en nr. 3, p. 11)) en beoogde te verduidelijken wat volgens de regering ook al in de eerdere tekstversie van art. 7:628 lid 1 BW lag besloten (MvA, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 101-102).
Wet meer zekerheid flexwerkers
De Wet meer zekerheid flexwerkers, die op [datum] werd aangenomen door de Tweede Kamer, leidt tot verval van de mogelijkheid om de loonbetaling contractueel of bij cao uit te sluiten. De huidige leden 5 t/m 8 van art. 7:628 BW worden geschrapt. Het is nog niet bekend wanneer de wet in werking zal treden.
2. Naar tijdruimte vastgesteld loon (lid 1, aanvang)
Lid 1 kent de werknemer het recht toe op het naar tijdruimte vastgestelde loon. Daaronder is het periodiek uitgekeerde salaris te verstaan. Ook het privégebruik van de auto en de daarmee verband houdende vergoedingen zijn een arbeidsvoorwaarde die onder het regime van art. 7:628 BW vallen (ECLI:NL:GHDHA:2015:868). Op ander loon heeft hij doorgaans aanspraak krachtens lid 3 (zie aant. 9).
3. Overeengekomen arbeid (lid 1, vervolg)
Als een werknemer niet wordt toegelaten tot de bedongen arbeid, maar andere werkzaamheden krijgt aangeboden die hij niet verricht, heeft hij recht op loon krachtens art. 7:628 BW, tenzij die andere werkzaamheden een redelijk voorstel waren dat hij niet had mogen weigeren, hof Amsterdam 9 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5117. Hoewel de tekst dat doet vermoeden, is art. 7:628 BW niet alleen van toepassing op bereidheid tot het verrichten van de overeengekomen arbeid, maar ook op het verrichten van andere, passende, arbeid. Deze uitzondering is relevant voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers. Deze werknemers zijn niet langer in staat om de overeengekomen arbeid naar inhoud of omvang te vervullen, terwijl zij mogelijk evenmin nog langer aanspraak kunnen maken op loon krachtens art. 7:629 BW. In zo'n geval kan de werknemer aanbieden of verplicht zijn om slechts een gedeelte van de overeengekomen arbeidstijd te werken. Ook kan hij aanbieden of verplicht zijn om een andere (al dan niet al bestaande) functie te gaan vervullen. Als de werknemer een ongespecificeerd aanbod doet tot het verrichten van passende arbeid en zijn werkgever hem daartoe zonder deugdelijke gronden niet in staat heeft gesteld, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat het gaat om arbeid waarvoor een beloning passend is die strookt met de vastgestelde resterende verdiencapaciteit (HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7341, NJ 2006/534, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2005/99, m.nt. Vegter en SR 2005/44, m.nt. Fikkers (Goorhuis/Sons)). Ook na afloop van de loondoorbetalingsperiode ex. art. 7:629 lid 1 BW heeft de werknemer nog aanspraak op loon, maar die aanspraak omvat niet meer dan het loon dat past bij de door de werknemer aangeboden en voor zijn krachten en bekwaamheden berekende arbeid. De werkgever is steeds gehouden van zo’n aanbod gebruik te maken, tenzij dit redelijkerwijs van hem niet gevergd kan worden. De aanwezigheid van een dergelijke uitzonderingsgrond dient de werkgever te stellen en, zo nodig, te bewijzen. Als geen uitzonderingsgrond aanwezig is, heeft de werknemer in beginsel recht op het loon dat overeenkomt met de door hem aangeboden functie of arbeidstijd. Accepteert de werkgever het aanbod tot het verrichten van andere passende arbeid, dan kan dit resulteren in het afsluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst (inclusief een proeftijdbeding). Vgl. HR 3 februari 1978, NJ 1978/248, m.nt. Stein (Roovers/De Toekomst); HR 8 november 1985, NJ 1986/309, Prg. 1985/2391 (Van Haaren/Cehave); HR 13 december 1991, NJ 1992/441 (Goldsteen/Roeland); HR 3 maart 1995, NJ 1995/470, m.nt. Stein (Zwiers/Mestemaker); HR 17 oktober 1997, NJ 1998/130, JAR 1997/246 (Vendex/Van Roosmalen); HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3098, JAR 2001/238, JOL 2001/572 en JWB 2009/272 (Bons/Ranzijn). Uit art. 7:611 BW kan voortvloeien dat de werknemer gehouden is een voorstel tot het verrichten van ander werk te accepteren (HR 26 juni 1998, NJ 1998/767 en JAR 1998/199 (Van der Lely/Taxi Hofman)). Deze regel is in HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, JAR 2008/204, NJ 2011/185, m.nt. Heerma van Vos en SR 2008/54, m.nt. De laat (Stoof/Mammoet) gerelativeerd. Bij een opvolgende overeenkomst voor bepaalde tijd geldt als ‘overeengekomen arbeid’ de soort werkzaamheden die is afgesproken. Niet bepalend is dat er geen project meer loopt: zie HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4913, NJ 2002/283, JOL 2001/772, JWB 2001/383 en JAR 2002/19.
4. In redelijkheid voor rekening werknemer (lid 1, slot)
Sinds HR 10 november 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1656, NJ 1973/60, m.nt. Scholten (De Schelde I) wordt de regeling van art. 7:627 (oud), art. 7:628-629a BW een risicoregeling genoemd. In dat arrest en in daaropvolgende rechtspraak bepaalde de Hoge Raad dat de werknemer ook dan zijn recht behoudt, als het verrichten van de arbeid is verhinderd door omstandigheden die in beginsel overmacht zouden opleveren, maar die toch voor zijn rekening worden gebracht.
Dit deel van lid 1 is per 1 januari 2020 inwerking getreden. De wijziging hing samen met het vervallen van art. 7:627 BW. Met de wijziging van deze twee bepalingen wordt wat er eerst in art. 7:627 oud en 7:628 lid 1 BW, was geregeld in één artikel geregeld (art. 7:628 lid 1 BW) zonder dat dit in de praktijk tot een wezenlijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer zou leiden.
“Zo zal het in de toekomst nog steeds zo zijn dat deelname aan een staking (te onderscheiden van de werkwillige die verhinderd wordt te werken als gevolg van de staking), onwettig verzuim, te laat op het werk verschijnen, gevangenisstraf of voorlopige hechtenis voor risico van de werknemer komen. Bij één en ander wordt benadrukt dat de uitvoerige cassatierechtspraak rond de onderhavige risicoregeling — onder meer op het punt van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer — onder het nieuw voorgestelde recht onverkort van kracht blijft. Op grond van de voorgestelde formulering zal het aan de werkgever zijn om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten, alsmede dat het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt.” (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 87-89). A.R. Houweling, ‘Arbeidsrecht in nood: coronacrisis en de arbeidsrechter’, TAC 2020/4, p. 158-169, concludeerde dat de lagere rechtspraak afwijkt van het hiervoor vermelde uitgangspunt van de wetgever dat er geen inhoudelijke wijziging was beoogd met de tekstuele wijziging van lid 1. HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, JAR 2022/161, RAR 2022/110, JOR 2022/246, m.nt. H. Kreikamp, NJ 2022/314, m.nt. Verstijlen en TvI 2023/4, m.nt. Van Eeden-van Harskamp (UWV) heeft echter bevestigd dat “Met deze wijziging geen inhoudelijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer en van de rechtspraak van de Hoge Raad daarover is beoogd.”
Komend recht
Wet personeelsbehoud bij crisis
Deze wijzigingen waren volgens de wetgever nodig in het licht van de voorziene incorporatie van de zogenoemde Regeling calamiteiten WW in het BW. Deze regeling dient in het BW te worden opgenomen omdat art. 8 BBA gaat vervallen en de wetgever vreesde dat een werkgever anders de preventieve ontslagtoets zou kunnen omzeilen door de werknemer op non-actief te stellen. De kapstok daarvoor is in de vorm van lid 9 toegevoegd.
Minister Van Gennip heeft in mei 2024 de Wet personeelsbehoud bij crisis ter internetconsultatie ingediend. Deze is de beoogde opvolger van de Regeling calamiteiten WW. Het wetsontwerp is in 2026 kritisch ontvangen door de RvS met het advies dit niet zo in te dienen. Zie verder aant. 15.
Toch inhoudelijke wijziging?
Situatieve arbeidsongeschiktheid
Op de stelling dat de cassatierechtspraak onverkort van toepassing blijft, zijn relativeringen aangebracht. De reikwijdte daarvan is nog altijd niet te bepalen. Over het arrest-Mak/SGBO heeft de regering opgemerkt (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 128-129):
“Naar het oordeel van de regering zal het als gevolg van de gewijzigde formulering in de toekomst zo zijn dat de werkgever niet gehouden is het loon te betalen als bij situatieve arbeidsongeschiktheid de schuld uitsluitend of in hoofdzaak ligt bij de werknemer. Dat betekent dat als beiden schuld treft de werkgever gehouden zal zijn het loon te betalen.”
Zie ook Fluit & De Groot, TRA 2015/90.
Schorsing
HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3057, NJ 2007/332, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/91, m.nt. Verhulp en Ondernemingsrecht 2003/19, m.nt. Grapperhaus (Van der Gulik/Vissers) bepaalde dat een schorsing voor rekening van de werkgever komt, ongeacht de vraag of de werknemer tot de schorsing aanleiding heeft gegeven. In de Eerste Kamer heeft de regering afstand genomen van dit arrest, onder meer door erop te wijzen dat dit ook al haar standpunt was ten tijde van Flexibiliteit en zekerheid (MvA, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 101-102):
“In situaties van schorsing door de werkgever biedt het wetsvoorstel dan ook ruimte om over de periode waarin de werknemer bij wijze van disciplinaire maatregel is geschorst, tevens het loon niet betalen omdat dit dan redelijkerwijs voor risico van de werknemer komt. Dat impliceert dat over disciplinaire maatregelen ook bij schriftelijke overeenkomst (individueel of collectief) afspraken kunnen worden gemaakt, zonder dat zulks uitdrukkelijk bij wet is bepaald. Dergelijke afspraken dienen dan slechts ter invulling en bevestiging van hetgeen in de wet al is afgesproken over de risicoverdeling en gelden niet als afwijking daarvan. Uiteindelijk is en blijft het aan de rechter om te beoordelen of bij een specifieke schorsing dan ook daadwerkelijk sprake was van een niet verrichten van de bedongen arbeid door een oorzaak die redelijkerwijs voor risico van de werknemer behoort te komen.”
5. Categorieën risico’s (lid 1, slot)
a. Nietige beëindiging
Als de werkgever de arbeidsovereenkomst zonder dringende reden en zonder toestemming van het UWV eenzijdig beëindigt en de werknemer zich bereid heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten, kan deze laatste aanspraak maken op doorbetaling van loon.
Loonaanspraak bij in hoger beroep teruggedraaide vernietiging
Als de kantonrechter in eerste aanleg de opzegging heeft vernietigd, maar het hof oordeelt dat deze vernietiging ten onrechte is uitgesproken, doet zich een complicatie met betrekking tot art. 7:628 BW voor: het hof mag de arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht beëindigen, waardoor er in beginsel ook een aanspraak op loondoorbetaling bestaat over de periode vanaf de vernietigde opzegging tot het moment waarop het hof de overeenkomst alsnog beëindigt. Veelal werkt de werknemer dan hangende het hoger beroep niet, maar houdt zich wel beschikbaar. De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2018:1209, JAR 2018/203, m.nt. Koole, RAR 2018/133, TRA 2018/88, m.nt. Dekker, JIN 2018/150, m.nt. Huisman en RvdW 2018/892 geoordeeld dat er in zo’n geval met toepassing van art. 7:628 BW kan worden geoordeeld dat er geen recht is op loon. Dit is het uitgangspunt aangezien de werknemer achteraf bezien — naar aan te nemen valt — toch terecht op staande voet is ontslagen. Uitzondering is denkbaar bijvoorbeeld wanneer de werknemer geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt, of andere omstandigheden van het geval, zoals de vraag waarom de rechter in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld. Deze regel geldt evenzeer voor twee te onderscheiden perioden:
tussen ontslag en uitspraak eerste aanleg; en
tussen uitspraak eerste aanleg en uitspraak hoger beroep.
Verhouding tot Van der Gulik/Vissers
Deze situatie verschilt van het arrest van 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3057, NJ 2007/332, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/91, m.nt. Verhulp en Ondernemingsrecht 2003/19, m.nt. Grapperhaus (Van der Gulik/Vissers), aldus de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2018:1209, JAR 2018/203, m.nt. Koole, RAR 2018/133, TRA 2018/88, m.nt. Dekker, JIN 2018/150, m.nt. Huisman en RvdW 2018/892 aangezien het hier gaat om een ontslag op staande voet, dat door de wet is gelegitimeerd, terwijl bij schorsing, zoals aan de orde in Van der Gulik, een dergelijke wettelijke legitimatie ontbreekt.
b. Normale bedrijfsrisico’s
Deze risico’s worden doorgaans aan de werkgever toegerekend. Gedacht kan worden aan: ziekte of overlijden van de werkgever, weersomstandigheden die het werk onmogelijk maken, onvoldoende orders of onvoldoende grondstoffen om te produceren, stagnatie in de afzet, min of meer normale bedrijfsstoringen en brand of explosies in een daarvoor gevoelig bedrijf. Zie onder andere HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4913, NJ 2002/283 en JAR 2002/19, alwaar het niet voorhanden zijn van een nieuw project in beginsel voor rekening en risico van de werkgever dient te komen. Ook het niet beschikbaar zijn van werk na een buitenlandperiode valt onder het werkgeversrisico; zie Rb. Rotterdam 2 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1553.
c. Exceptionele risico’s, zoals onwerkbaar weer
Exceptionele risico’s als overstroming, noodtoestand of oorlog, komen soms wel en soms niet voor rekening van de werkgever. Voor de vraag of er sprake is van een exceptioneel risico dat voor rekening van de werkgever komt, is onder meer de aard van het bedrijf van belang. In het kader van de deeltijd-WW is door de Stichting van de Arbeid — met steun van de minister van SZW — opgemerkt dat de kredietcrisis een werknemersrisico is; zie Van Slooten & Verhulp, TRA 2009/77. Zie voor het niet verrichten van de overeengekomen arbeid dat het gevolg is van buitengewone natuurlijke omstandigheden de Regeling onwerkbaar weer (Stcrt. 2019, 70095, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-70095.html) en aant. 15 hierna.
d. Collectieve acties
Stakers
Stakers hebben geen recht op loon gedurende de tijd dat zij deelnemen aan een collectieve actie. Zij ontvangen een uitkering, mits lid, uit de stakingskas van de vakbond. Bij een publieksvriendelijke actie, zoals het gratis laten meerijden in de bus, geldt dat een loonkorting mag worden doorgevoerd, ondanks dat de actievoerende werknemers wel hebben gewerkt. De schade die de werkgever als gevolg van de acties heeft geleden (lees: de misgelopen kaartopbrengst) kan dan in aanmerking worden genomen (maar is niet voor 100% verhaalbaar zolang het een rechtmatige staking is), aldus hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2016:96, RAR 2016/63, JIN 2016/97, m.nt. Vlodrop en JAR 2016/52.
Werkwilligen
Soms brengt een staking of andersoortige collectieve actie mee dat werkwilligen niet tot de arbeid worden toegelaten. De Hoge Raad onderscheidt twee typen van collectieve actie. Betreft het een gewone staking (georganiseerd door vakbonden om onderhandelingen onder druk te zetten), dan is dit risico normaal gesproken voor rekening van de werkwillige werknemer. Betreft het daarentegen een wilde actie (die een protestkarakter heeft, doorgaans van korte duur is en niet door vakbonden is georganiseerd), dan komt dit doorgaans voor rekening van de werkgever. Hiervoor is vereist dat de werkwillige bewijst dat hij als zodanig moet worden beschouwd en dat hij ten opzichte van de groep waarvan de wilde actie uitgaat, een buitenstaander is (HR 7 mei 1976, NJ 1977/55, m.nt. Scholten (Wielemaker/de Schelde)). Van deze twee typen zijn tussenvormen denkbaar, waarbij steeds aan de hand van het arrest-Wielemaker/de Schelde een oplossing gevonden dient te worden. Het niet kunnen verrichten van arbeid ten gevolge van een arbeidsgeschil in een andere bedrijfstak komt voor rekening van de werkgever (Ktr. Breda 17 april 1996 en 29 mei 1996, Prg. 1996/4631).
Uitgeleende werknemers
Een werknemer die is uitgeleend aan de bestaakte onderneming en door de staking niet kan werken, dient in beginsel bij georganiseerde stakingen het risico daarvan te dragen, maar volgens de Hoge Raad kan uit een bepaalde arbeidsovereenkomst een andere risicoverdeling volgen (HR 17 november 1978, NJ 1979/184, m.nt. Stein (De Raaij/Rijn-Metaal)).
e. Betwiste arbeidsgeschiktheid
Een werknemer die zichzelf niet arbeidsongeschikt acht en zich bereid verklaart zijn arbeid te verrichten, heeft aanspraak op loon wanneer achteraf komt vast te staan dat hij inderdaad arbeidsgeschikt was. Dat geldt ook wanneer het UWV meent dat de werknemer arbeidsongeschikt is en de werkgever op die grond weigert de werknemer toe te laten (HR 23 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6295, NJ 2000/585, m.nt. Stein en JAR 2000/163, m.nt. Verhulp). Deze regel geldt ook wanneer de werknemer zijn visie op zijn geschiktheid de werkzaamheden te hervatten op geen enkele wijze medisch heeft onderbouwd (HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0904, NJ 2001/333 en JAR 2001/80, m.nt. Riphagen). Het nalaten van onderzoek naar de aanwezigheid van passende arbeid komt voor rekening van de werkgever, ook als daaruit blijkt dat er geen passende arbeid is (HR 17 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0175, NJ 2006/533, JAR 2003/41, m.nt. Vegter en AV&S 2003, p. 99, m.nt. Bouwens). Als de werkgever indicaties heeft dat de werknemer ziek is, maar hem niet ziek meldt, valt het niet-werken in de risicosfeer van de werkgever (Rb. Gelderland 13 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:7225).
f. Schorsing of op non-actiefstelling
Een schorsing of op non-actiefstelling komt altijd voor rekening van de werkgever, ook als de werknemer aanleiding heeft gegeven tot de maatregel (HR 21 maart 2003, NJ 2007/332, m.nt. Heerma van Voss, JAR 2003/91, m.nt. Verhulp en Ondernemingsrecht 2003/19, m.nt. Grapperhaus, (Van der Gulik/Vissers en partners)). Een afwijkend oordeel betreft Ktr. Zeeland-West-Brabant 16 januari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BY8467, RAR 2013/59 en JAR 2013/43 over een op non-actief gestelde directeur die verdacht wordt van ernstige misdrijven. Verder is ten tijde van de behandeling van de Wwz (MvA, Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 101-102) gesteld dat in ieder geval onder het gewijzigde lid 1 schorsing zonder loon mogelijk is. De regering suggereert afstand te nemen van het arrest-Van der Gulik/Vissers en partners. Ktr. Amsterdam 19 juni 2017 onderkent dit, maar oordeelt dat die uitzondering niet kan worden toegepast zolang het gewijzigde art. 7:628 lid 1 BW nog niet in werking is getreden; ECLI:NL:RBAMS:2017:4273 en ECLI:NL:RBAMS:2017:4433, JAR 2017/191. Ook de Hoge Raad gaat in ECLI:NL:HR:2018:1209, JAR 2018/203, m.nt. Koole, RAR 2018/133, TRA 2018/88, m.nt. Dekker, JIN 2018/150, m.nt. Huisman en RvdW 2018/892 uit van de toepasselijkheid van het arrest.
Slechts in uitzonderingsgevallen is matiging van de loonvordering van de op non-actief gestelde werknemer op zijn plaats (HR 1 juli 1993, NJ 1993/666, m.nt. Stein en JAR 1993/177 (Chicopee/Van Gerwen)). Van een schorsing door de werkgever moet worden onderscheiden de situatie dat de werknemer niet mag werken op grond van een wettelijk verbod ingevolge de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; Ktr. Delft 15 december 2005, RAR 2006/33.
g. Situatieve arbeidsongeschiktheid
Een werknemer heeft ook recht op loondoorbetaling als hij situatief arbeidsongeschikt is als gevolg van arbeidsomstandigheden waarvan de oorzaak in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen en deze voor hem zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten, van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten. De werknemer moet alle medewerking verlenen aan het wegnemen van de oorzaak (HR 27 juni 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC7669, JAR 2008/188, m.nt. Vegter en TRA 2008/5, m.nt. Buijs (Mak/SGBO)).
h. Beschikbaarheidsdiensten
Het beschikbaar zijn van de werknemer, wordt al snel als arbeid aangemerkt in de zin van de Richtlijn 2003/88/EG. Dat daarvan sprake is, wil nog niet zeggen dat er ook recht is op loon. Dat is afhankelijk onder meer van de arbeidsovereenkomst. Verder is toegestaan om arbeid in deze vorm anders te belonen dan de ‘periode van daadwerkelijke arbeidsprestatie’ (hof ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8927, JAR 2012/34, m.nt. Franssen).
i. Vrije invulling van het werk
De eis om zelf voor werk te zorgen kan niet zonder meer aan een werknemer worden gesteld, ook niet in een geval waarin de werknemer in het kader van het ‘nieuwe werken’ een zeer grote mate van vrijheid heeft (Ktr. Haarlem 13 januari 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BP1395).
j. Corona
Er is wisselende rechtspraak over de verdeling van het loonrisico als gevolg van Corona. Daarbij is door Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2024,ECLI:NL:GHARL:2024:1053, JAR 2024/89, overwogen:
“… Het hof acht het niet ondenkbaar dat zónder de NOW-regeling het loonrisico bij dergelijke calamiteiten gedurende enige tijd voor rekening van beide partijen zou komen, zij het — zoals ook het geval is bij toepassing van de Rwt — niet voor beide partijen in dezelfde mate.”
k. Verrekening met eerder opgebouwde uren
Een urenbank waarin meer- en minderuren met elkaar worden verrekend, valt niet onder het regime van art. 7:628 BW (Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2024,ECLI:NL:GHARL:2024:1053, JAR 2024/89). Rb. Oost-Brabant 4 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3204, JAR 2025/174, oordeelde dat de werkgever niet in strijd met art. 7:628 handelde door werknemers te verplichten het spaarurenmodel in te zetten bij onwerkbaar weer.
l. Emotionele toestand
Volgens Rb. Rotterdam 7 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:5962, JAR 2023/228 mag “van een goed werkgever worden verwacht dat zij een (zeer jonge) werknemer enige tijd en ruimte gunt om dergelijk slecht nieuws te verwerken, onder doorbetaling van het loon.”
m. Onderzoek
Hof Amsterdam 4 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1555, JAR 2023/233 wees een recht op loon af over de periode van een strafrechtelijk onderzoek waarbij de Schipholpas werd ingetrokken, hoewel de werknemer werd vrijgesproken.
6. Bereidheid (lid 1, algemeen)
Voor het slagen van een loonvordering ex art. 7:628 BW is noodzakelijk dat de werknemer bereid is de bedongen arbeid te verrichten (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7037, NJ 2004/269, JWB 2003/481 en JAR 2004/14, m.nt. Verhulp (Hema/P.)). Vroeger stelde art. 7A:1638d BW deze eis expliciet. Deze eis is niet teruggekeerd in art. 7:628, maar de wetgever heeft daarmee geen materiële wijziging beoogd (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23438, nr. 3, p. 25). Ondanks dat bereidheid als uitgangspunt dient te gelden, is niet uitgesloten dat ondanks het ontbreken van bereidheid toch aanspraak op loon bestaat, te weten als toch moet worden aangenomen dat de arbeid niet is verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7037, NJ 2004/269,JWB 2003/481 en JAR 2004/14, m.nt. Verhulp). Volgens Conclusie A-G De Bock bij HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, “is het niet aannemelijk dat de Hoge Raad de deur wijd open heeft willen zetten voor uitzonderingen op de regel dat de werknemer zich bereid moet verklaren de bedongen arbeid te verrichten.”
Soms kan een werknemer ook zijn verplichting tot arbeid opschorten op grond van art. 6:262 BW; zie HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7930, JAR 2006/263, RvdW 2006/908, SR 2006/78, m.nt. Ruizeveld en JWB 2006/319. De bereidheid van de werknemer moet aanwezig zijn gedurende de tijd waarover hij loon vordert (HR 1 februari 1952, NJ 1953/366). De bereidheid kan enige tijd afwezig zijn. Als de werknemer zich vervolgens weer bereid toont, dan heeft hij vanaf dat moment weer recht op loon (HR 12 december 1952, NJ 1953/603). De enkele omstandigheid dat de werknemer elders werkzaam is (geweest), brengt niet mee dat hij niet (meer) bereid is (geweest) de oorspronkelijk bedongen arbeid te verrichten (HR 5 januari 1979, NJ 1979/207, m.nt. Stein (Swaen/van Hees)). Aanvullende omstandigheden kunnen tot de conclusie leiden dat de bereidheid niet meer bestaat en dat de werknemer geen aanspraak kan maken op loon. Zo’n omstandigheid is niet het feit dat de werknemer bij zijn nieuwe werkgever heeft nagelaten te bedingen dat hij op eerste afroep weer voor zijn oude werkgever zal gaan werken (HR 13 december 1985, NJ 1986/293, m.nt. Stein). Zo’n omstandigheid is evenmin aanwezig als de werknemer voor het inroepen van de vernietiging heeft laten blijken dat hij ook zijnerzijds de arbeidsovereenkomst wil beëindigen. De werkgever dient de aanwijzingen te stellen en bij betwisting te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de bereidheid van de werknemer ontbrak (HR 30 mei 1997, NJ 1997/611, JAR 1997/142). Een eenmaal uitgesproken bereidheid hoeft niet herhaald te worden — bijvoorbeeld na ziekte van de werknemer —, tenzij de werknemer had moeten begrijpen dat de werkgever naderhand wel bereid is de werknemer toe te laten tot de arbeid (HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9560, NJ 2001/264, m.nt. Stein, JAR 2001/26, JWB 2001/26, Ondernemingsrecht 2001/24 en JOL 2001/49).
Geen bereidheid bij aanvaarding andere baan met gelijke arbeidsvoorwaarden
In HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, NJB 2022/1361, JAR 2022/161, RAR 2022/110, RI 2022/76, JOR 2022/246, m.nt. Kreikamp, NJ 2022/314, m.nt. Verstijlen en TvI 2023/4, m.nt. Van Eeden-van Harskamp (UWV) is geoordeeld dat de bereidheid ontbreekt als de werknemer een andere baan tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden heeft geaccepteerd:
"Indien een werknemer na faillietverklaring van zijn werkgever bij een doorstart van diens onderneming of een deel daarvan tegen gelijke arbeidsvoorwaarden in dienst treedt van de verkrijger, mag de curator daaruit afleiden dat de werknemer niet langer bereid is arbeid bij de gefailleerde werkgever te verrichten. De oorzaak van het niet langer verrichten van arbeid bij de gefailleerde werkgever behoort in zo’n geval in redelijkheid niet voor rekening van de gefailleerde te komen. Het door het onderdeel bepleite tegengestelde uitgangspunt zou tot gevolg hebben dat een werknemer in zo’n geval in de periode vanaf de datum van indiensttreding bij de verkrijger tot het einde van de wettelijke opzegtermijn die geldt voor de opzegging door de curator, zowel aanspraak heeft op loonbetaling door de curator als op loonbetaling door de verkrijger. Daarvoor bestaat geen rechtvaardiging."
Verhouding tot opschortingsrecht
Als een werknemer niet reageert op een oproep om weer te komen werken maar hij heeft een loonvordering op de werkgever, dan kan hij zich op zijn opschortingsrecht ex art. 6:262 lid 1 BW beroepen. In dat geval heeft hij — ondanks het formeel ontbreken van bereidheid — wel recht op loon (Hof ’s-Hertogenbosch 19 juli 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BR2338). Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2026:1334, over een vrachtwagenchauffeur die de auto onder zich hield.
Verhouding tot beroep op de klachtplicht
De Hoge Raad heeft in het arrest van 20 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1281) geoordeeld dat de klachtplicht ex art. 6:89 BW ook van toepassing is op aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, waaronder loonvorderingen. Gelet op de strekking en bewoordingen van art. 6:89 BW, ziet art. 6:89 BW slechts op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht. Een beroep op het ontbreken van bereidheid staat in beginsel los van een beroep op de klachtplicht. Meestal is de bereidheidsvraag (alleen) aan de orde indien er in het geheel geen arbeid is verricht; dan geldt de klachtplicht niet. Omgekeerd geldt de klachtplicht in potentie wel en de bereidheid waarschijnlijk niet indien het verkeerde loon is betaald.
7. Matiging (lid 1, algemeen)
Toepassing van art. 7:628 BW na een vernietigd ontslag kan tot zeer aanzienlijke loonvorderingen leiden. In een reeks arresten vanaf 1979 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter op grond van analoge toepassing van art. 7:680 lid 5 de bevoegdheid toekomt om sommige loonvorderingen te matigen (HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7251, NJ 1979/207, m.nt. Stein (Swaen/van Hees)). Die bevoegdheid is nu geregeld in art. 7:680a BW. Vóór inwerkingtreding van Flexibiliteit en zekerheid was afwijking van het artikel bij schriftelijke overeenkomst qua duur onbeperkt toegestaan.
8. Geldelijke uitkering (lid 2)
Het loon waarop de werknemer krachtens art. 7:628 lid 1 en 3 BW aanspraak kan maken, dient te worden verminderd met geldelijke uitkeringen uit hoofde van een (wettelijke) verzekering of van een fonds (lid 2). Men kan hierbij denken aan een WW-uitkering. Daarop kan ook aanspraak bestaan wanneer de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. Een ander voorbeeld betreft de uitkering van cao-fondsen, zoals bij vorstverlet in de bouw (zie ook aant. 15).
9. Niet naar tijdruimte vastgesteld loon (lid 3)
Op ander geldloon dan naar tijdruimte vastgesteld heeft de werknemers krachtens lid 3 aanspraak, als dit loon afhankelijk is van de uitkomst van de te verrichten arbeid en niet van andere elementen, zoals de winst van de werkgever (HR 31 oktober 1941, NJ 1942/198 en HR 24 september 1999, NJ 1999/737, m.nt. Stein, JAR 1999/214 (Welgelegen/Bonden)). Op grond van deze bepaling bestaat ook recht op doorbetaling van overwerkvergoeding (Ktr. Lelystad 20 december 2000, JAR 2001/60 en Ktr. Sittard 5 september 2001, JAR 2001/209), maar weer niet als vaststaat dat er geen overwerk meer is (hof Den Haag 22 december 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ6562, NJF 2007/82). De Hoge Raad heeft overigens de vrije kost en inwoning wel als loon in de zin van art. 7:628 BW aangemerkt (HR 20 oktober 1978, NJ 1979/80, m.nt. Stein). In Rb. Midden-Nederland Utrecht 28 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5077, werden een afsprakenbonus en omzetprovisie toegewezen op grond van lid 3. Bij moderne variabele beloningsvormen, waarin verschillende targets gelden, is het loon niet geheel afhankelijk van de uitkomst van de individueel verrichte arbeid. In een dergelijk geval past hof Amsterdam (hof Amsterdam 27 april 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2034, JAR 2010/142) art. 7:628 lid 3 BW toe. Zie voor toekenning bonus over opzegtermijn krachtens art. 7:628 lid 3 BW: hof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2236, RAR 2014/149, JIN 2014/168, m.nt. Janssen en JAR 2014/227, m.nt. Wiersma. In ECLI:NL:GHSHE:2015:1792, RAR 2015/124 en JIN 2015/144, m.nt. Van Osch werd geoordeeld dat ook bonus gedurende periode van niet werken verschuldigd was, te berekenen over de gemiddelde bonus in de voorgaande drie jaren. Volgens Ktr. Maastricht (ECLI:NL:RBLIM:2015:2349) dienen regelmatige overwerkdiensten en vakantiebijslag ook op grond van lid 3 te worden uitbetaald. Rb. Zeeland West-Brabant 21 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4303, RAR 2023/143 gaat uit van “een gebruikelijke en redelijke referteperiode van drie jaar.”
10. Bespaarde onkosten (lid 4)
Het loon waarop de werknemer krachtens art. 7:628 lid 1 en 3 BW aanspraak kan maken, dient tevens te worden verminderd met bespaarde onkosten. Het is onduidelijk hoe ver deze bepaling reikt. Verdedigbaar is dat hieronder alle kosten vallen die de werknemer bespaart doordat hij niet arbeidt (bijv. de benzine tijdens de reis naar het werk). Een andere opvatting wil het bereik van de bepaling beperken tot die kosten waarvoor de werknemer een vergoeding ontvangt.
Inkomsten
Inkomsten die de werknemer elders heeft verworven (bijvoorbeeld bij een andere werkgever), komen niet voor aftrek in aanmerking (HR 5 januari 1979, NJ 1979/207, m.nt. Stein (Swaen/van Hees)).
11. Afwijking voor de eerste zes maanden (lid 5)
Het betreft hier de vanaf 1 januari 2015 geldende wettekst. Het is slechts voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst mogelijk schriftelijk (daaronder begrepen per cao) van art. 7:628 lid 1 BW af te wijken ten nadele van de werknemer. Het woord ‘voor’ brengt tot uitdrukking dat het niet mogelijk is om gedurende de eerste zes maanden af te wijken voor een langere periode.
Afwijking kan volgens de MvT bijvoorbeeld van belang zijn bij nieuwe activiteiten, bij uitbreiding van bestaande activiteiten of bijvoorbeeld in het kader van seizoenswerk (zoals in de horeca). In art. 7:691 lid 7 BW is geregeld dat er in geval van een uitzendovereenkomst schriftelijk kan worden afgeweken van art. 7:628 lid 1 BW voor ten hoogste de eerste 26 gewerkte weken (weken waarin door de werknemer arbeid is verricht). Deze termijn kan op grond van lid 8 onderdeel a, bij collectieve arbeidsovereenkomst worden verlengd tot ten hoogste 78 weken. Verwezen wordt naar de toelichting op art. 7:691 BW.
Na zes maanden is afwijking alleen onder voorwaarden bij cao of regeling mogelijk, zo bepaalt lid 7. Voor de eerste zes maanden is art. 7:628 BW dus semi-dwingend recht, voor de periode daarna geclausuleerd driekwartdwingend recht. Niet iedere afwijking is toegestaan, mits aan het vormvereiste is voldaan. Vgl. HR 19 juni 1959, NJ 1959/588 (Oranje Nassau Mijnen/Scheffer): uitsluiting van art. 7:628 BW na een nietig ontslag kan in strijd met de strekking van een dwingende wetsbepaling zijn. Men kan alleen van lid 1 afwijken in voor de werknemer negatieve zin. Onder het voor 1 januari 2015 geldende recht was het mogelijk om ook van lid 2-4 af te wijken. De tekst van lid 5 luidde toen als volgt:
“Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer.”
12. Berekening periode lid 5 bij contract voor bepaalde tijd (lid 6)
Lid 6 regelt dat de periode van zes maanden, als bedoeld in lid 5, niet iedere keer opnieuw begint bij een opvolgende arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:668a BW. Men dient de duur van opvolgende arbeidsovereenkomsten bij elkaar op te tellen om te bezien of de periode van zes maanden al is verstreken. Hoewel de bepaling per 1 januari 2015 in werking is getreden, is deze precies gelijkluidend aan de oude versie van lid 6.
13. Afwijking na zes maanden (lid 7)
Voor zover de periode als bedoeld in lid 5 is verstreken, is afwijking alleen maar bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan mogelijk, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Ktr. Hilversum 1 februari 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AV1661, JAR 2006/57, m.nt. Beltzer en RAR 2006/65 verklaarde — gelet op bijzondere omstandigheden — een afwijking bij cao in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Met ingang van 1 januari 2015 is afwijking van de loondoorbetalingsverplichting alleen toegestaan als in de cao of regeling is bepaald welke functies worden verlengd en de aan die functies verbonden werkzaamheden incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang hebben. De bedoeling van deze nadere voorwaarden is om het gebruik van nuluren- en min/max-contracten terug te dringen. Een voorbeeld van een functie waarvoor dit geldt is die van invalkracht.
Geëindigde cao
Uit Ktr. Rotterdam 30 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3185, JAR 2018/139 volgt dat een incorporatie van een geëxpireerde cao waarin van art. 7:628 lid 1 BW wordt afgeweken, geen geldige afwijking is. Het ging hier om de minuren-systematiek uit de Horeca-cao, die een afwijking is van de hoofdregel van art. 7:628 BW.
14. Ontheffingsmogelijkheid van lid 5, 6 en 7 (lid 8)
Lid 8 regelt dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan bepalen dat op bepaalde bedrijfstakken, of onderdelen daarvan, lid 5, 6 of 7 niet van toepassing is. Aangekondigd is dat voor de zorgsector een dergelijke gedeeltelijke ontheffing zal gaan gelden.
15. Art. 8 BBA, het wetsontwerp Personeelsbehoud bij crisis, de calamiteitenregeling WW en de regeling onwerkbaar weer (lid 9)
Art. 8 BBA verbiedt de werkgever om de overeengekomen arbeidstijd eenzijdig te verkorten en beoogt te voorkomen dat het loon als gevolg daarvan afneemt. De werkgever kan gedurende een korte periode ontheffing van art. 8 BBA krijgen, bijvoorbeeld wanneer zich een stagnatie in de productie voordoet, die niet tot het normale bedrijfsrisico hoort. Heeft de werkgever een dergelijke ontheffing verkregen, dan kan de werknemer meestal aanspraak maken op een WW-uitkering. Op grond van lid 9 kan de Minister een regeling vaststellen waarin wordt geregeld dat onder omstandigheden de loondoorbetalingsverplichting op grond van art. 7:628 lid 1 BW niet (onverkort) geldt. Dit is de per 1 januari 2020 inwerking getreden Regeling onwerkbaar weer (Stcrt. 2019, 70095). Kern van deze regeling is dat in situaties van onwerkbaar weer er geen loondoorbetalingsverplichting bestaat. Wat onwerkbaar weer is wordt in detail uitgewerkt in de regeling (zo is een regendag een dag waarop het 300 minuten regent; na 19 regendagen in een jaar is de werkgever ontheven van zijn loondoorbetalingsplicht). Als sprake is van onwerkbaar weer is geen ontheffing ex art. 8 lid 3 BBA nodig. Daarnaast ziet de regeling ook op andere situaties waarin niet gewerkt kan worden dan situaties als gevolg van onwerkbaar weer. Blijkens art. 5 van deze Regeling onwerkbaar weer geldt dan het volgende:
"De werkgever is vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht indien het niet verrichten van de overeengekomen arbeid het gevolg is van andere buitengewone omstandigheden dan buitengewone natuurlijke omstandigheden, voor zover ten gevolge daarvan een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945."
Dit betekent dat indien en voor zover een werkgever een ontheffing heeft wegens werktijdverkorting hij geen loondoorbetalingsplicht heeft. De werkgever kan sinds 1 oktober 2021 weer in aanmerking komen voor een dergelijke ontheffing krachtens de Regeling Werktijdverkorting (Stcrt. 2021, 42158). Wel kan de werknemer in aanmerking komen voor een WW-uitkering, maar niet iedere werknemer komt daarvoor in aanmerking, bijvoorbeeld wegens een te kort dienstverband. Bovendien vergoedt de WW niet meer dan het maximum dagloon of een evenredig percentage daarvan.
Voor 1 januari 2020 gold dat de werkgever krachtens art. 7:628 lid 2 BW de WW in mindering mocht brengen op het door hem verschuldigde loon. De werknemer merkte daar weinig van want hij kreeg nog steeds zijn volledige loon en de werkgever profiteerde van de WW-uitkering. Zie voor jurisprudentie onder het oude recht: Ktr. Lelystad 8 februari 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BV7759, JAR 2012/100, m.nt. Vegter, RAR 2012/84 en TRA 2012/57, m.nt. De Laat en Rb. Zeeland-West-Brabant 16 januari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:139, JAR 2019/47.
Niet werken als gevolg van de Coronacrisis; de NOW
Sinds maart 2000 bestond de NOW-loonkostensubsidie. Op 25 februari 2022 kondigde het kabinet aan dat de NOW niet meer beschikbaar is met ingang van het tweede kwartaal van 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 35420, nr. 478). De NOW nam als uitgangspunt dat het risico op loondoorbetaling als gevolg van Corona bij de werkgever lag en dat deze daarom in aanmerking kwam voor een loonkostensubsidie.
Komend recht
Het is nog altijd de bedoeling dat art. 8 BBA zal vervallen in het kader van de Wwz. De beoogde inwerkingtredingsdatum was ooit 1 april 2016 en is nu onduidelijk. In plaats daarvan moet de Regeling calamiteiten WW komen (zie Stb. 2014, 274). Per 1 januari 2020 is wel de Regeling onwerkbaar weer in werking getreden (Stcrt. 2019, 70095). De basis voor deze regeling is het eveneens per 1 januari 2020 in werking getreden (lid 9). De Regeling Werktijdverkorting die aan het begin van de Coronacrisis was ingetrokken, is weer geopend per 1 oktober 2021 (Stcrt. 2021, 42158), maar niet voor Corona-gevallen. Minister Van Gennip heeft in mei 2024 de Wet personeelsbehoud bij crisis (WPC) ter internetconsultatie ingediend. Deze is de beoogde opvolger van de Regeling calamiteiten WW. Het wetsvoorstel WPC laat nog altijd op zich wachten. De RvS adviseerde in februari 2026 om het nog niet in te dienen bij de Tweede Kamer (zie over het conceptvoorstel W.A. Zondag, ‘Wetsvoorstel Wet personeelsbehoud bij crisis’, TRA 2025/58).
16. Afwijking is nietig (lid 10)
Deze tekst is opgenomen om te verduidelijken dat dit alleen geldt voor bedingen die ten nadele van de werknemer strekken (Kamerstukken I 2013/14, 33818, E, p. 6). Zie voor een toepassing hiervan: Rb. Oost-Brabant 13 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:690.