RvdW 2026/154:Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt en handel in hennep. Afwijzing van verzoek tot horen van getuige. Kon hof oordelen dat verdediging het verzoek tot horen van getuige op eerdere tz. niet heeft willen handhaven? Hof heeft in bestreden uitspraak overwogen dat verdediging verzoek tot horen van getuige A in ontnemingszaak ttz. van 26 april 2022 niet heeft willen handhaven en dat verzoek tot horen van deze getuige in ontnemingszaak opnieuw is gedaan ttz. van 9 juni 2023. Daarmee heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het pas naar aanleiding van ttz. van 9 juni 2023 door verdediging gedaan verzoek om A als getuige te horen een beslissing hoefde te nemen over als getuige oproepen van A en dat het ttz. van 26 april 2022 daarover geen beslissing hoefde te nemen. Dat oordeel geeft geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarvoor is van belang dat ttz. van 8 december 2020 gedaan verzoek tot horen van A als getuige moet worden aangemerkt als verzoek a.b.i. art. 414 Sv. Door zaak voor nader onderzoek naar Rh-C belast met behandeling van strafzaken te verwijzen, met opdracht A als getuige te horen, is aan verzoek uitvoering gegeven. Verdediging kon, als zij het wenselijk vond dat getuige alsnog zou worden gehoord in ontnemingszaak, die wens voorafgaand aan nadere tz. aan A-G of tijdens nadere tz. aan hof kenbaar maken door daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Zo’n verzoek heeft verdediging gedaan ttz. van 9 juni 2023. P-v van tz. van 26 april 2022 houdt niet in dat toen zo’n verzoek is gedaan. Hof hoefde daarom ttz. van 26 april 2022 niet (ook niet ambtshalve) beslissing te nemen over als getuige oproepen van A (vgl. HR 15 november 2022, NJ 2023/250, m.nt. H.D. Wolswijk). Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2026/153, RvdW 2026/155 en RvdW 2026/157. Vervolg op HR 19 maart 2024, RvdW 2024/374 (strafzaak).