Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.9
8.9 Beschikken over eigendom onder opschortende voorwaarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS395236:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rongen 2014, p. 312-313. Anders: Wibier 2012, p. 310 en Nieuwesteeg 2015, p. 173 volgens wie de wetgever het wel uitdrukkelijk zou hebben geregeld, als het zou kunnen. Zie ook Wibier 2016, p. 213-214.
Mezas 1985, p. 49, Scheltema 2013, p. 163, Kortmann in punt 4 van diens noot onder HR 28 november 2014, JOR 2015, 26 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 551. Zie voor Oostenrijk Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 588. Voor het Duitse recht wordt dit ook algemeen aangenomen. Zie Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 71, Bülow 2012, p. 251, Staudinger/Wiegand 2017, § 929 BGB, Rn. 7 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 17.
Zie bijv. HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 4.2.3, alwaar wordt opgemerkt dat de koper onder eigendomsvoorbehoud zijn voorwaardelijk eigendomsrecht ‘dan ook slechts onder diezelfde voorwaarde [kan] vervreemden of bezwaren.’ Zie ook hiervoor in voetnoot 108 en hierna in voetnoot 367.
Zie hiervoor in paragraaf 8.4.5.
Raiser 1961, p. 32. Vgl. voor Oostenrijk Frotz 1970, p. 73 en Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 589: ‘Die Schwäche der Position jedes Zweiterwerbers des Anwartschaftsrechts, die im Bereich der Sicherungsrechte besonders auffällt, besteht darin, daû das Schicksal des Anwartschaftsrecht (…) vom Schicksal des Vorbehaltskaufs abhängt, an dem der Zweiterwerber nicht beteiligt ist.’ Vgl. ook Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 72. Nog sceptischer is Wibier 2013, p. 290: ‘Niemand draagt natuurlijk een verwachtingsrecht over.’ Zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 411.
Vgl. Klang/Klang 1950, § 425 ABGB, p. 313, Edlbacher 1966, p. 251 en Harrer 1969, p. 37.
Met de vaststelling dat de koper vanaf het moment dat de overdracht onder opschortende voorwaarde door de machtsverschaffing van artikel 3:91 BW tot stand komt, een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt, stelt zich de vraag of, en zo ja, op welke wijze de koper ook kan beschikken over dit voorwaardelijk eigendomsrecht. Die vraag staat in deze paragraaf centraal. Met de vaststelling dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een goederenrechtelijk recht is, is de overdraagbaarheid van dat recht eigenlijk als vanzelfsprekend gegeven (zie hierna in paragraaf 8.9.1). In de volgende paragrafen wordt onderzocht op welke wijze de beschikking over het voorwaardelijk eigendomsrecht moet plaatsvinden en wat de rechtsgevolgen zijn van een zodanige beschikking. De wetgever heeft daarover niets geregeld. Dat behoeft geen verbazing te wekken, omdat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde niets anders is dan een ‘gewoon’ eigendomsrecht, met dien verstande het recht afhankelijk is van een voorwaarde.1 Een beschikking dient derhalve te geschieden overeenkomstig de regels die voor het onvoorwaardelijke eigendomsrecht gelden.2
Toch bestaat er wel een aantal complicaties bij de beschikking over voorwaardelijke eigendom. Zij laten zich terugvoeren op de bijzondere omstandigheid dat een voorwaarde is verbonden aan dit recht. In het navolgende is de aandacht dan ook hoofdzakelijk gericht op dit aspect, namelijk op welke wijze en in hoeverre bij de geldende regels voor beschikkingshandelingen rekening moet worden gehouden met het feit dat sprake is van een eigendomsrecht dat beperkt is door de voorwaarde en wat de gevolgen daarvan zijn.
Bij de mogelijkheid om te beschikken over het voorwaardelijk eigendomsrecht gaat het (in beginsel) om een onvoorwaardelijke beschikking over een voorwaardelijk recht. De gedachte dat de voorwaardelijkheid van het recht tot gevolg heeft dat de eigenaar onder voorwaarde slechts zou kunnen beschikken onder dezelfde voorwaarde, moet worden verworpen, omdat de voorwaardelijkheid betrekking heeft op het recht zelf dat wordt overgedragen en niet op de rechtsgevolgen van de overdracht van dat recht. Hoewel dit onderscheid wel eens uit het oog wordt verloren,3 geldt dat de voorwaardelijke overdracht van een voorwaardelijk recht een geheel andere figuur is dan een onvoorwaardelijke overdracht van het voorwaardelijke recht.
Voorafgaand aan de bespreking van de vragen rond de beschikking over voorwaardelijke eigendom verdient het volgende opmerking. De vraag of de koper kan beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is voor de praktijk een van de belangrijkste vragen rond de rechtspositie van de koper. Met name wanneer de onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak een substantiële waarde vertegenwoordigt en de koper niet in staat is om binnen afzienbare tijd de gehele koopprijs te voldoen, kan de koper door een beschikking over het voorwaardelijk eigendomsrecht de reeds betaalde koopprijs mobiliseren. Dit verklaart de uitgebreide aandacht in de literatuur voor de vraag of het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verpand kan worden. Het belang van de mogelijkheid om te beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde moet echter ook niet overschat worden. De verkrijger van (een beperkt recht op) het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, verkrijgt een recht dat afhankelijk is van een voorwaarde. Aangezien de vraag of deze voorwaarde in vervulling gaat zich in de eerste plaats afspeelt in de relatie tussen de verkoper en de koper, verkrijgt degene die (een beperkt recht op) het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt een recht waarvan het lot onzeker is. Hij zal er niet zonder meer van uit (kunnen) gaan dat de koper de koopprijs voldoet, hetgeen een drukkend effect heeft op de waarde van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, nu de kans bestaat dat de verkrijger zelf de nog openstaande vordering moet voldoen teneinde het eigendomsrecht uit te laten groeien tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht. Daarnaast zal voor de verkrijger van (een beperkt recht op) het voorwaardelijk eigendomsrecht niet altijd duidelijk zijn wat precies de inhoud is van de voorwaarde waarvan het recht afhankelijk is. Zo kan bij een verbreed eigendomsvoorbehoud onduidelijk zijn voor welke vorderingen het eigendomsvoorbehoud is bedongen. Tot slot hangt het risico van ontbinding altijd als een zwaard van Damocles boven het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, nu ontbinding van de koopovereenkomst waarin het eigendomsvoorbehoud is bedongen, vanwege het causale karakter van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde bij eigendomsvoorbehoud, tot gevolg heeft dat het recht vervalt.4 Daarmee is het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde voor derden een tamelijk onzeker recht.5
Gelet op deze onzekerheid valt te verwachten dat de mogelijkheid om te beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde in de praktijk hoofdzakelijk beperkt blijft tot het in onderpand geven van dit recht in het kader van kredietverschaffing. Een kredietverschaffer is op de hoogte van bovengenoemde onzekerheden en zal de risico’s aanvaarden en verdisconteren in het te verschaffen krediet en het rentepercentage. Illustratief is dat de mogelijkheid om te beschikken over het Anwartschaftsrecht in de Oostenrijkse praktijk nauwelijks tot wasdom lijkt te zijn gekomen, vanwege het feit dat zowel voor de verpanding van dit recht als de zekerheidsoverdracht publiciteitseisen gelden, als gevolg waarvan de zaak waarop het Anwartschaftsrecht betrekking heeft uit de macht van de koper zou moeten worden gebracht.6 Aan het beschikken over het Anwartschaftsrecht bestaat blijkbaar geen behoefte wanneer het zekerheidsmotief ontbreekt.
8.9.1 Overdraagbaarheid8.9.2 Wijze van levering8.9.3 Rechtsgevolgen van overdracht8.9.4 Derdenbeschermingsperikelen8.9.5 De rechtsverhouding tussen de verkoper en de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht8.9.6 De invloed van de verkoper en de koper op de stabiliteit van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde