Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.6:9.5.6 403-aanspraak en verjaarde vordering 403-rechtspersoon
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.5.6
9.5.6 403-aanspraak en verjaarde vordering 403-rechtspersoon
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85587:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vordering uit hoofde van een met de schuldenaar verrichte rechtshandeling kan door verjaring teniet gaan. Indien er twee zelfstandige vorderingen zijn, hebben die elk een eigen verjaringstermijn. Die termijnen kunnen van elkaar verschillen als aangenomen wordt dat de uit een rechtshandeling van de 403-rechtspersoon voortvloeiende vordering op de 403-rechtspersoon en de 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij afzonderlijk van elkaar kunnen worden overgedragen. Maar ook als aangenomen wordt dat die gescheiden overdracht niet mogelijk is of als beide vorderingen in één hand blijven, kunnen er verschillende termijnen (en stuitingsmomenten) aan de orde zijn.1
In de situatie dat de vordering jegens de 403-rechtspersoon is verjaard en de 403-aanspraak (nog) niet, heeft de schuldeiser de mogelijkheid de 403-aansprakelijke maatschappij uit hoofde van de 403-verklaring voor voldoening aan te spreken. Dit lijkt niet onredelijk omdat de verbintenis van de 403-rechtspersoon nog steeds bestaat maar alleen niet van hem in rechte afdwingbaar is. Vanuit de optiek van de schuldeiser is het alleszins begrijpelijk dat hij alsdan zijn 403-aanspraak, als die nog niet is verjaard, door de 403-aansprakelijke maatschappij gehonoreerd wil zien. Vanuit de waarborgfunctie van de 403-verklaring bezien ligt het evenwel niet erg voor de hand dat er nog wel jegens de 403-aansprakelijke maatschappij kan worden gevorderd. Alleen als zou worden aangenomen dat het mogelijk is dat de vordering jegens de 403-rechtspersoon en de 403-aanspraak in handen zijn van twee verschillende partijen kan dit anders liggen omdat in dat geval de 403-aanspraak niet langer direct verbonden is aan het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon, althans niet langer in handen van de partijen die waren betrokken bij de rechtshandeling waaruit het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon is voortgevloeid.
In de opvatting van Booms kan een aan iemand in hoedanigheid verleende garantie2 alleen worden ingeroepen door iemand die de hoedanigheid heeft. Als de hoedanigheid van een rechthebbende van een specifiek aangewezen subjectief recht eindigt, kan die garantie niet meer worden ingeroepen. Daarvan is sprake, zo merkt hij op, indien de overeenkomst waaruit de vordering op de 403-rechtspersoon voortvloeit, vernietigd wordt of als deze vordering op de 403-rechtspersoon verjaart.3 Ook merkt Booms op dat het mogelijk is – ik heb daarop al eerder gewezen – in de 403-verklaring op te nemen dat de 403-aanspraken slechts kunnen ontstaan zolang de vorderingen op de 403-rechtspersoon niet zijn verjaard.
Wanneer de 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij een afhankelijk recht zou zijn zoals in de borgtochtachtige opvattingen, leidt verjaring van de vordering jegens de 403-rechtspersoon tot verjaring van de 403-aanspraak. Stuiting van de verjaringstermijn hoeft in deze opvattingen dan ook alleen bij de 403-rechtspersoon te geschieden. Een stuitinghandeling bij de 403-aansprakelijke maatschappij is in de borgtochtachtige opvattingen niet voldoende om stuiting van de verjaring van de vordering op de 403-rechtspersoon te bewerkstelligen. In de ‘één vordering/twee schuldenaren’-opvatting kan zowel de 403-rechtspersoon als de 403-aansprakelijke maatschappij worden aangesproken door de schuldeiser zodat voor ieder van de schuldenaren eigen verjaringstermijnen en stuitingsmomenten kunnen gelden. Dit geldt ook in de ‘onafhankelijk nevenrecht’-opvatting en in de ‘dynamische 403-aanspraak’- opvatting. De 403-aansprakelijke maatschappij kan zich ter afwering van een betalingsverzoek er niet met succes op beroepen dat de vordering op de 403-rechtspersoon is verjaard.