Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.16:18.2.16 Ambtshalve rechterlijke toetsing bewijs centrale stellingen? (Vrije keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen, Procesrechtelijke aspecten van het bewijsrecht)
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.16
18.2.16 Ambtshalve rechterlijke toetsing bewijs centrale stellingen? (Vrije keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen, Procesrechtelijke aspecten van het bewijsrecht)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940519:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In verband met de schakelbepaling zal de boete doorgaans evenwel automatisch in geschil zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In verband met de onschuldpresumptie kan goed worden verdedigd dat de boeteling geacht wordt de centrale stellingen van de inspecteur reeds op voorhand te hebben weersproken. Dat betekent in mijn opvatting dat de op de inspecteur rustende primaire bewijslast ook altijd daadwerkelijk is geactiveerd. De inspecteur zal daarom, ook zonder dat de boeteling de centrale stellingen gemotiveerd heeft betwist, meteen voldoende (overtuigend) bewijs moeten leveren van het begaan van het beboetbare feit.
De Hoge Raad heeft zich nog niet expliciet uitgesproken over de vraag of de feitenrechter ambtshalve moet (of mag) nagaan of er voldoende overtuigend bewijs van de centrale stellingen aanwezig is. Wel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter de boete niet ambtshalve mag toetsen als partijen deze in het geheel niet tot voorwerp van het geschil hebben gemaakt.1Art. 6 EVRM lijkt echter te vereisen dat de rechter steeds (zo nodig ambtshalve) moet nagaan of er voldoende bewijs aanwezig is. Het is daarom naar mijn mening wenselijk dat de Hoge Raad – al dan niet via de route van de prejudiciële vragen aan het EHRM – duidelijkheid geeft over de vraag of de feitenrechter een ambtshalve toetsingsplicht (of toetsingsrecht) heeft ten aanzien van de vraag of alle bestanddelen van het beboetbare feit (‘beyond reasonable doubt’) zijn vervuld.