Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.4:18.2.4 Delictsomschrijving verzuimboetes, bewijslast AVAS (Bewijslastverdeling)
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.4
18.2.4 Delictsomschrijving verzuimboetes, bewijslast AVAS (Bewijslastverdeling)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940523:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij verzuimboetes is de mate van verwijtbaarheid geen onderdeel van de delictsomschrijving. In lijn daarmee heeft de Hoge Raad overwogen dat de inspecteur bij verzuimboetes kan volstaan met het bewijs van het kale beboetbare feit. De Hoge Raad beschouwt een AVAS-verweer bij verzuimboetes als een zuiver perifere stelling, ter zake waarvan de stelplicht en de bewijslast geheel bij de boeteling berusten. Uit de jurisprudentie van het EHRM over schuldneutrale delicten (waaronder de arresten Västberga Taxi en Passet) kan echter worden afgeleid dat ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ als een impliciet element moet worden ingelezen in de delictsomschrijving. De onschuldpresumptie brengt namelijk mee dat schuld (in de zin van verwijtbaarheid) niet mag worden voorondersteld. De aanwezigheid van ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ vormt in die opvatting een centrale stelling, die de inspecteur (dus) ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.
Naar nationaal recht is het aan de boeteling overgelaten om de afwezigheid van alle schuld te stellen en te bewijzen. Daarmee wordt effectief de aanwezigheid van enige mate van schuld (in de zin van verwijtbaarheid) voorondersteld. Dat komt in feite neer op een (door de onschuldpresumptie verboden) omgekeerde bewijslast. Naar mijn mening is dat in strijd met art. 6 EVRM. Dit kan worden hersteld door in Afdeling 2 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR een algemene bepaling op te nemen, waarin is geregeld dat de inspecteur bij verzuimboetes de aanwezigheid van ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ moet bewijzen. Bij gebreke van een wettelijke regeling op dit punt zou ik de Hoge Raad in overweging willen geven om prejudiciële vragen aan het EHRM te stellen. De belangrijkste vraag die het EHRM zou moeten beantwoorden, is of het in strijd is met de onschuldpresumptie dat de inspecteur bij verzuimboetes in het geheel geen bewijs hoeft te leveren van de aanwezigheid van ten minste enige verwijtbaarheid. Verder is het van belang om te weten of de rechter een eventuele lacune op dit punt kan compenseren. In het verlengde daarvan zou de Hoge Raad aan het EHRM kunnen vragen of er (zoals ik meen) met betrekking tot de schuldvraag (in de zin van verwijtbaarheid) steeds een ambtshalve toetsingsplicht op de rechter rust. Dat zou betekenen dat de rechter bij verzuimboetes altijd zelf de aanwezigheid van ten minste enige mate van verwijtbaarheid moet vaststellen, ook zonder dat de boeteling zich uitdrukkelijk op AVAS beroept.