Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.13:18.2.13 Wijzigingen en aanvullingen mededelingsplicht (Bewijsvoering)
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.13
18.2.13 Wijzigingen en aanvullingen mededelingsplicht (Bewijsvoering)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940432:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van de mededelingsplicht kunnen achteraf nog wijzigingen van of aanvullingen op de aanvankelijk medegedeelde aard en reden van de beschuldiging plaatsvinden. Wel moet de boeteling de gelegenheid krijgen om daar adequaat op te reageren. Het enkel wijzigen van de aard van de verweten schuldgradatie (het juridische etiket opzet of grove schuld) is bijvoorbeeld toegestaan, mits de boeteling daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. De reden van de beschuldiging mag na het opleggen van de boete echter niet meer wezenlijk worden aangepast. Het gaat daarbij immers om de feitelijke grondslag en dus om de verweten gedraging als zodanig. In het verleden heeft de Hoge Raad conversie van een bepaald type boete (bijvoorbeeld wegens niet betalen) in een ander type boete (wegens te laat betalen) toegestaan. Door die conversie wordt zowel de juridische als de feitelijke grondslag achteraf wezenlijk aangepast. Dat laatste is naar mijn mening in strijd met doel en strekking van de mededelingsplicht. In één van de Credit Suisse-arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wijziging van een verwijt niet is toegestaan als die wijziging berust op een feitencomplex dat niet uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging aan de boeteling was medegedeeld. Dat oordeel is (wél) in overeenstemming met doel en strekking van de mededelingsplicht. Ik zou de Hoge Raad daarom in overweging willen geven om zich bij gelegenheid duidelijk uit te spreken over de vraag of en in hoeverre achteraf nog een nieuwe of gewijzigde feitelijke grondslag van de beschuldiging mag worden medegedeeld. Het gaat er daarbij om waar de grens ligt tussen een (verboden) wijziging van de oorspronkelijk medegedeelde feiten en een (toegestane) toelichting of aanvulling op die feiten.
Een hieraan verwante kwestie betreft de vraag of er bij interne compensatie strijd ontstaat met de mededelingsplicht. Als de heffingscomponenten waaruit de aanslag is opgebouwd, wijzigen door een beroep op interne compensatie, wijzigt veelal ook de opbouw van de boetegrondslag. De nieuwe heffingscomponenten zullen ten tijde van de boeteoplegging echter doorgaans niet zijn medegedeeld. Naar mijn opvatting is de doorwerking van interne compensatie in de boetegrondslag daarom in strijd met de mededelingsplicht. Het zou goed zijn als de Hoge Raad zich bij gelegenheid duidelijk uitspreekt over de vraag hoe de doorwerking van interne compensatie in de boetegrondslag zich volgens hem verhoudt tot de mededelingsplicht.