Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.15:18.2.15 Afzonderlijke beoordeling tijdigheidskwesties ontvankelijkheid? (Procesrechtelijke aspecten van het bewijsrecht)
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/18.2.15
18.2.15 Afzonderlijke beoordeling tijdigheidskwesties ontvankelijkheid? (Procesrechtelijke aspecten van het bewijsrecht)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940332:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de beoordeling van de vraag of een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, bestaan er sinds medio 2019 geen verschillen meer tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete. Daarvóór was de bewijspositie voor de boeteling gunstiger dan in de sfeer van de heffing, omdat onzekerheid over bijvoorbeeld de tijdige indiening van het bezwaar- of beroepschrift nooit voor rekening van de boeteling kwam. De Hoge Raad heeft deze gunstige bewijspositie teruggedraaid, omdat art. 6 EVRM daar volgens de Hoge Raad niet toe dwingt. Het is naar mijn mening niet zeker of de nu geldende nationaalrechtelijke bewijsregels in fiscale bestuurlijke boetezaken inderdaad houdbaar zijn in het licht van art. 6 EVRM. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan namelijk niet glashelder worden afgeleid of het bewijsrisico bij de boeteling mag worden gelegd. Daarom zou ik de Hoge Raad in overweging willen geven om prejudiciële vragen aan het EHRM te stellen over deze kwestie.